Ondergang van de Azteken
Geplaatst op Zaterdag 04 augustus 2001
Mijn deelvragen zijn:
-Hoe hebben de Azteken een machtig rijk kunnen opbouwen terwijl ze in het begin geen bezittingen hadden?
-Wat heeft Motecuhzoma II gedaan om de komst van de Spanjaarden te verhinderen?
-Wat waren de gevolgen van Motecuhzoma’s dood voor het Azteekse rijk?
Mijn hoofdvraag is:
-Wat zijn de oorzaken dat de Azteken de Spanjaarden niet konden verslaan?
Op deze vragen ga ik antwoord geven met behulp van mijn werkstuk. Ik heb buiten de beantwoording op mijn deelvragen, ook algemene informatie over de Azteken gegeven.
Het legendarische geboorteland van de Azteken heet Aztlan. Aztlan lag op een eiland in een meer. De legende vertelt dat in 1116 na Christus de Azteken met een boot over het meer reisden. De reis werd onderbroken voor een bezoek aan de voornaamste god van de Azteken; Huitzilopochtli. Deze god gebood de landverhuizers verder te trekken. En dit deden ze ook, samen met acht andere stammen. Na een korte tijd kwamen de reizigers een vruchtbare streek in de schaduw van een grote boom tegen. Uit vreugde richtten ze een altaar voor Huitzilopochtli op en vierden een feestmaal. Onder het eten brak de boom in tweeën. De geschiedenis onthult niet waardoor de boom brak, maar het is wel duidelijk dat het breken van de boom als onheilspellend voorteken wordt gezien. Huitzilopochtli vertelde de reizigers om verder te trekken. De Indianen vonden het niet leuk om de andere acht stammen te verlaten. Toch ging de reis verder en de reizigers vestigden zich rond 1319 in Chapultepec. Chapultepec lag aan de westoever van het Texcocomeer. De Azteken behoorden in Chapultepec tot vazallen, waar zij als huurlingen van de Colhuacanen gebruikt werden. Deze status vonden ze na een tijd echter te laag en wilden meer macht. Ze gingen naar de koning van Colhuacanen en vroegen om de hand van zijn dochter. Zij kregen zijn dochter. Ze vilden haar. Een priester moest haar huid om zich te dragen. Toen de koning de priester zag, werd hij woedend en de Azteken vluchtten de moerassen van het Texcocomeer in. Tijdens hun vlucht zagen ze op een rots een cactus waar een adelaar op zat. Dit was voor de Azteken het teken om daar hun stad te bouwen. In 1325 na Christus werd deze stad gebouwd en Tenochtitlan, de plaats van de vijgcactus, genoemd.
Het echte verhaal gaat echter anders. In de 13e eeuw kwamen de Azteken aan in het dal van Mexico. De oevers van het meer waren al dichtbevolkt. De bewoners wilden geen land afstaan aan de Azteken. Daardoor kwamen de Azteken in een moerassig gebied terecht waar nog niet veel mensen woonden.
In 1325 lukte het de Azteken om twee drassige eilandjes voor bewoning geschikt te maken. Dit deden zij door dammen, kanalen en bruggen te bouwen. Deze twee eilanden kregen alle twee een andere naam: Tenochtitlan en Tlatelolco.
De Azteken bouwden hutten van leem en riet. Ze leefden van vissen, reptielen, vogels. De Azteken waren jager-verzamelaars. Omdat ze geen hout hadden, dreven ze handel met volken van het vasteland. De rijkere volken keken op de Azteken neer. De Azteken moesten ook belasting betalen aan de machtige Tepaneken.
De Tepaneken veroverden in 1400 heel het dal van Mexico.
De Azteken gingen vooruit, ze hadden geleerd hoe ze vlotten moesten bouwen. Deze vlotten werden ook gebruikt als drijvende tuinen, chinampa’s. Op de vloten gebruikten ze de vruchtbare modder als grond en teelden hier gewassen op. De ruimte tussen de chinampa’s vulden ze op en daar bouwden ze huizen. Ook legden ze een dam aan tussen het vasteland en hun eiland.
Aan het begin van de veertiende eeuw begon deze stad, Tenochtitlan, uit te groeien tot een aanzienlijke stad, net zoals haar zustereilandstad Tlatelolco, een paar jaar later gesticht. De vorst van de Tepaneken, Maxtla, zag met schrik de toenemende macht van de Azteken en liet om die reden de koningen van beide steden vermoorden. In 1426 sloten de Azteken zich aan bij andere volken van het vastenland, zoals bij Tlateloco, Tlacopan en Texcoco. Samen versloegen ze de machtige Tepaneken. Het land van de Tepaneken werd verdeeld tussen de overwinnaars. Toen sloten Tenochtitlan, Texcoco en Tacuba het “het Driestedenverbond”. Samen veroverden ze vele andere steden in de Vallei van Mexico.
Onder het bewind van Motecuhzoma I gingen de veroveringen door. Ook Texcoco en Tlacopan kwamen onder gezag van de Azteken. Alleen de Terascanen, zij woonden in het westen, en de Tlaxcalanen, zij woonden dichtbij de Azteken, hadden de Azteken niet kunnen veroveren.
Alles ging goed en het Azteekse rijk stond in volle bloei, totdat Hernán Cortés kwam...
De Azteken spraken het Nahuatl. Nahuatl betekent elegante spraak.
De standen in de bevolking onderscheidden zich door de kwaliteit en verfijning van de spraak. Er zijn verschillende standen: keizer, “slangenvrouw”, legerbevelhebbers, adviseurs van de koning, arbeiders, slaven. Hier ga ik later op in.
De Azteken leefden in twee steden in het Texcocomeer. Tenochtitlan en Tlatelolco heetten deze twee steden. Er was geen munt of papiergeld en ook werd er niet per gewicht producten verkocht. Alles werd per hoeveelheid of volgens een andere maat zoals lengte verkocht. Om producten te kopen werd er geruild met cacaobonen of, minder gebruikelijk, mantels(cuachtli).
Honderd cacaobonen stond gelijk aan één mantel(cuachtli).
Het religieuze centrum was door een muur afgescheiden van de rest van de stad. De grote tempel domineerde het religieuze plein. De twee trappen liepen omhoog naar de heiligdommen van Huitzilopochtli(oorlogs- en zonnegod) en Tlaloc(god van de regen). Boven op de tempel brachten de priesters mensenoffers. Rondom de tempel lagen andere tempels. Bijvoorbeeld de ronde tempel van Quetzalcoatl, de gevederde slangengod. Voor deze tempel stond een rek met schedels van geofferde. Achter de tempel van Quetzalcoatl lag een binnenplaats voor een balspel. Ook lag op deze binnenplaats de school voor de zonen van edelen, de calmecac.
De Azteekse samenleving was opgebouwd uit verschillende standen:
De hoogste stand was de keizer van het volk. Hij werd ook wel tlatohuani, ‘grote spreker’, genoemd. Een raad van edelen, priesters en krijgers koos de vorst uit de gelederen van de koninklijke familie. De keizer zag de grond en de inwoners niet als zijn eigendom, zoals veel keizers zagen. Het volk vereerde de keizer als god. Hij was hogepriester, opperbevelhebber van het leger en had het hoogste gezag in het rijk. De keizer kwam nooit onder het volk en als hij kwam was er een feest. De inwoners moesten drie keer buigen en geen schoenen dragen. De gewone mensen mochten de keizer niet in het gezicht aankijken en de keizer sprak via iemand anders tegen iemand. Er zijn verschillende keizers in het Aztekenrijk aan de macht geweest:
Chimalpopoca (1417)
Itzcoatl (1426)
Motecuhzoma I (1440)
Axayacatl (1468)
Tizoc (1481)
Ahuitzotl (1486)
Motecuhzoma II (1502)
Cuitlahuac (1520)
Cuauhtemoc (laatste keizer)
Onder de keizer stond de cihuacoatl, ook wel de “slangenvrouw”. Deze titel was ook een naam van een godin en deze naam kwam waarschijnlijk voort uit het feit dat deze positie werd ingenomen door een hogepriester van de godin. De cihuacoatl was verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur, organiseerde veldtochten, hield de staatsfinanciën bij en was opperrechter. Er stonden vier legerbevelhebbers onder de chuacoatl. Iedere legerbevelhebber had een eigen gebied. Deze was verdeeld door de twee hoofdwegen die Tenochtitlán kende. De vier legerbevelhebber en cihuacoatl waren adviseurs van de keizer.
Onder de vier legerbevelhebbers stond de raad van adviseurs van de keizer.
Onder de bestuurders stond de hoge adel, de tlatoani. Deze stond aan het hoofd van de provincies. De lage adel heette de techutlis. Krijgers, priesters, rechters, klerken, belastinginners, alle mensen op ambtelijke posten werden ambtenaren genoemd en behoorden tot de lage adel. De lage adel had het dagelijks bestuur over de steden. De meeste edelen waren rijk. De keizer schonk de edelen stukken land van nieuwe veroverde gebieden en ze hoefden geen belasting te betalen. De meeste edelen erfden hun titels en landgoederen, maar men kon ook door moed en goede prestaties in het leger tot de adel verheven worden. De zonen van edelen gingen naar een speciale school, calmecac.
Het gewone volk was de grootste bevolkingsgroep. Zij werden maceualtin genoemd. Het gewone volk bestond uit pachtboeren, kunstenaars en ambachtslieden. Het gewone volk was verdeeld in families of clans, ook wel calpulli. Iedere capulli had een stuk land, waar de leden van de calpulli hun gewassen op verbouwden. Eén keer per jaar kwam de raad van calpulli bij elkaar om het land te verdelen. Sommige calpulli’s hadden meer land dan anderen, dan waren zij rijker.
De slaven, de tlacotin, waren de laagste stand. Zij waren mensen die in de oorlog gevangen waren genomen(krijgsgevangenen) of mensen die aan lager wal waren geraakt. Ook mensen die grote schulden hadden of betrapt waren op diefstal werden vaak slaven. Soms verkochten mensen zichzelf als slaaf, omdat ze geen geld hadden en toch onderdak wilden. Pas nadat de slaaf drie keer in het bijzijn van getuigen was gestraft mocht de meester een slaaf verkopen. Meestal werden slaven goed behandeld, maar als drie eigenaars de slaaf wegens slecht gedrag verkochten, kon de slaaf geofferd worden. De slaaf kon zijn vrijheid terugwinnen door zijn vrijheid terug te kopen, ook bepaalden veel meesters dat de slaaf na zijn dood werd vrijgelaten. Een andere manier waarop de slaaf zijn vrijheid terug kon winnen, was dat hij bij de verkoop kon rennen naar het koninklijk paleis. Alleen zijn meester of diens zoon mochten de slaaf tegenhouden. Als hij in het koninklijk paleis was aangekomen, anderhalve kilometer van het marktplein waar slaven verkocht werden, werd hij ter plekke vrij verklaard. De slaven waar ik nu over heb verteld zijn de slaven die werden gekocht, ook bestonden er offerslaven. De krijgsgevangenen werden vaak als offerslaven gebruikt. Offerslaven zijn slaven die geofferd werden voor goden. Vooral aan Huitzilopochtli, de oorlogsgod, werden offers gebracht(krijgsgevangenen).
De Azteken hadden veel goden. Dit kwam onder andere doordat zij goden van andere volken, die ook Huitzilopochtli als oppergod hadden, overnamen.
Er waren twee scheppers die alles gemaakt hadden: Ometecuhtli(betekent twee heer) en Omecihuatl (betekent twee dame). Zij hadden vier zonen: Huitzilopochtli (god van de zon en oorlog), Xipe Totec(heer van de gevilde huid), Quetzalcoatl (de gevederde slang) en Texcatlipoca (god van de nacht en de hekserij).Coatlicou was de vrouw van Huitzilopochtli. Ze was een aardgodin en had als kop
twee slangen. Ze droeg een ketting van mensenharten en haar rok bestond uit slangen. Tlaloc was de regengod, hij had een vrouw. Deze heette Chalchihuitliceu, zij was de watergodin.
Ook was er een bloemenprins en god van de lente, Xochipilli. Ook bestond er een god die de boodschappen van de goden overbracht, Yacetecuhtli. Deze god was ook de god van de stad Tlatelolco.
De Azteken brachten veel offers aan de goden. Met een mensenoffer werden nieuwe krachten geschapen. Ook werden de aarde en de zon gevoed zodat de natuurlijke kringloop niet zou verzwakken. De Azteken voelden zich verantwoordelijk om te offeren om hun schepping te behouden. Huitzilopochtli, de oorlogsgod van de zon, zorgde voor offers. Vaak werden krijgsgevangenen en slaven namelijk geofferd. De mensen leefden tussen de goden en waren dagelijks met hen in contact via priesters, heerser of tovenaars. Tempelpiramides symboliseerden vaak bergen. De centrale piramide van Tenochtitlan verbeeldde de berg Tlalocan. In de berg Tlalocan ‘woonde’ de regengod Tlaloc. Ook verbeeldde de centrale piramide de berg Coatepetl waarop Huitzilopochtli(zonnegod en oorlogsgod) was geboren en zijn eerste slag had geleverd. Er waren verschillende manieren waarop slaven of krijgsgevangenen geofferd konden worden. Bij Xipe Totec werden de slachtoffers gevild, bij Huitzilopochtli werden de harten uit de slachtoffers gerukt. Bij de regengod Tlaloc werd het slachtoffer verdronken en bij Coatlicou en Quetzalcoatl werd het slachtoffer gevoerd aan giftige slangen.
De kalender van de Azteken bestaat uit twee tellingen. Deze tellingen bepalen het ritme van de rituelen. Er is een telling van 260 dagen(tonalpohualli) en een telling van 365 dagen(cecempohuallapohualli) Beide...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

