Literatuur zonder grenzen - Hoofdstuk 3 Middeleeuwen, Renaissance en Barok
Geplaatst op Zaterdag 04 augustus 2001
Hoofdstuk 3 Middeleeuwen, Renaissance en Barok
Middeleeuwen
§ 1
Rond 500 na Chr.: einde antieke beschaving, maar voortleven Latijnse literatuur.
Buiten kloosters geen belangstelling voor intellectuele zaken. Zelfs de grootste middeleeuwse heerser Karel de Grote (768-814) kon niet lezen of schrijven.
Middeleeuwen: voortdurende oorlogvoering, hongersnood, pestepidemieën, stormen en overstromingen.
Feodaliteit: leenstelsel. Machtige heer zocht volgelingen om macht te vergroten. Die volgelingen waren vazallen, die in ruil voor diensten bescherming van de heer kregen. Vazallen moesten een geleend stuk grond (laten) onderhouden (door boeren).
In de twaalfde eeuw kwamen er veel kruistochten naar Palestina en men probeerde de Moren te verslaan. Er ontstonden heldenverhalen op rijm: chansons de geste. Hierin speelde Karel de Grote vaak een rol, dus sprak men van Frankische of Karelromans.
§ 2
Volgens sommige mensen in de Middeleeuwen hadden Adam en Eva het eeuwige leven verspeeld door de duivel in slang. Mensen hadden angst voor de dood omdat ze niet wisten wat er komen ging. Ze verlangden naar de dood als verlossing van het aardse tranendal.
Aan het eind van de Middeleeuwen ontstaat er een nieuw literair genre: de Dodendans. Dit zijn gedichten in de vorm van een skelet die mensen uitnodigt om met hem te dansen. Tijdens de dans verteld de dood hen wat er gebeurt met de rijkdommen die ze vergaard hebben.
De middeleeuwse mens zocht nog naar verklaringen voor bepaalde dingen en vond die bij allerlei (heidense) goden, duivels, kwade krachten en draken. De theologische ideeën van het christendom waren voor het gewone volk te moeilijk. Heiligen bemiddelden tussen het volk en God. Om mensen aan dit geloof te laten wennen, werden veel heidense rituelen in een christelijke plechtigheid veranderd. De antieke wereld had mythen bedacht. Het christendom was bijna een polytheïsme (veelgodendom).
Men vatte bijbelteksten vaak letterlijk op en deze werden verwerkt in aardrijkskundige kennis. Bijvoorbeeld de Mapa Mundi: een wereldkaart met Jeruzalem in het midden.
Men geloofde dat in het oosten het paradijs lag. Dus was het oosten het belangrijkst. De kaarten van toen zijn ge-Oriënt-eerd = met de bovenkant naar het oosten, de Oriënt.
§ 3
Het was in de middeleeuwen heel gebruikelijk dat teksten uit andere taalgebieden door dichters in de eigen taal werden bewerkt. Zo werd de Nederlandse moraliteit (spel met godsdienstig of moreel probleem) Elckerlyc in het Engels en Duits gebruikt.
Henric van Veldeke – gebruikte het oud Limburgs. Hij hoorde bij de Duitse en Nederlandse literatuur.
Voor de uitvinding van de boekdrukkunst (rond 1450) werden alle teksten met de hand overgeschreven. Dit gebeurde in het scriptorum van een klooster. Boeken kostten toen heel veel geld en waren er in Nederland minder boeken dan dat er nu in een gemiddelde huiskamer op de plank staat.
Vrijwel de gehele Nederlandse literatuur is gebaseerd op verhalen en gedichten die oorspronkelijk in het Frans zijn geschreven. De Middelnederlandse vertalingen waren niet letterlijk, ze werden aangepast aan de plaatselijke situatie. Een nieuw werk was dus een verzameling van verhaalgegevens die al bekend waren.
Het chanson de geste of heldendicht. Hierin worden rond historische gebeurtenissen heldendaden verzonnen die de macht van Karel de Grote bewijzen (Chanson de Roland).
Het belangrijkste thema in de chansons de geste uit de periode 1170-1260 zijn de conflicten tussen de koning en zijn vazallen. Oudste heldendicht is Engelse Beowulf (10e eeuw).
In Keltische gebieden groeiden legenden rond de heldenfiguur koning Arthur. Bij de Arthurroman ging het vooral om de ‘queeste’: een avonturentocht die de held zelfkennis verschafte en die hem in staat stelde een eervolle plaats in de gemeenschap te verwerven. De populariteit van de Arthurlegenden heeft te maken met een toen nieuw ridderideaal: hoofse cultuur en hoofse liefde. Deze verhalen werden in andere talen vaak vertaald door o.a. Wolfram von Eschenbach (Parzifal 1170-1220), Sir Thomas Malory (Le Morte d’Arthur). Roman van Walewein is mondeling doorverteld, dus niet vertaald.
In de middeleeuwen werd humor als belangrijkste middel tegen de duivel gezien. Vaak werden toneelstukken met een ernstige inhoud afgewisseld met een klucht.
In een ‘abel spel’ (abel = schoon) werden de motieven uit een ridderroman in een toneelstuk verwerkt.
Francois Villon (1431) maakte een ‘poëtisch testament’ op. Geoffrey Chaucer (1340-1400) schreef de Canterbury Tales, een raamvertelling (aantal verhalen binnen een ander verhaal). Een raamvertelling was al eerder bij de Italiaan Boccaccio met zijn Decamerone.
In faustverhalen gaat het altijd om een man die zich boven de ellende van zijn tijd wil verheffen en zijn ziel aan de duivel verkoopt als losprijs voor bovenmenselijke kennis of macht. De grootste bekendheid kreeg de Faust (1790-1808) van de Duitse dichter Goethe. ...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

