Indische duinen : roman
Dis, Adriaan van
Geplaatst op Zondag 13 januari 2002
Bibliografie van het boek.
VAN DIS, A., Indische Duinen. Amsterdam, Meulenhoff, 1994.
Opdracht: Titel en indeling van het verhaal.
1) Verklaar de titel van het boek.
2) Het verhaal is ingedeeld in 6 hoofdstukken die genummerd en getiteld zijn. Deze hoofdstukken zijn ingebed tussen een epiloog en een proloog.
a) Door wie worden proloog en epiloog verteld?
b) Op welke manieren kan je daar spreken van een cirkelstructuur?
c) Door wie worden de getitelde hoofdstukken verteld?
d) Verklaar uitgebreid de titels van deze hoofdstukken; bewijs je uitleg telkens met citaten en/of verwijzingen naar de inhoud.
Antwoorden:
1) Verklaar de titel
Als we er niet diep op ingaan kunnen we gewoon zeggen dat het boek gaat over een “Indische” familie die emigreert en in de Nederlandse duinen gaat wonen. Omdat ze voor de moeder staan voor het weerzien van haar vaderland en voor de dochters iets nieuws betekenen, raken ze meteen gefascineerd.
“ “Wat zijn dat?” vroeg Saskia. “Duinen,” zei de moeder, “Hollandse duinen”, en haar stem trilde. “Net als cake,” zei Saskia. (…) , ze waren gek op cake en deden stille wensen. (bladzijde 9)
Als we echter verder zoeken merken we dat er tussen Adriaans gedrag en de aanwezigheid van de duinen een duidelijk verband bestaat. Hij zoekt er rust en bezinning. In zijn jeugd was het één van de weinige plaatsen waar hij echt gelukkig was.
“Duinen…daar kon ik uitwaaien, mijn kalmte herwinnen en de geur van luiers en dood van me afspoelen.” (bladzijde 268)
“ Ik reed weer naar mijn duinen (…). Ik wilde in stilte nadenken.”(bladzijde 198)
“ “Voor mij is er maar een strand en dat is hier. (…). Als ik niet kan slapen denk ik aan die kleuren, bij de tandarts concentreer ik me op dit landschap.”
“En je zei dat je hier altijd ongelukkig was?”
“Niet in de duinen. (…) zonder de mensen.”” (bladzijde 74)
Nu, als hij terugkeert naar de duinen, wordt hij steeds herinnerd aan zijn kindertijd hoewel hij het verleden probeert te verdringen.
“Ik deed mijn best niet langer het verleden in het landschap te zien.” (bladzijde 199)
Het feit dat hij blijft terugkeren symboliseert dat zijn verleden hem achtervolgt.
Bladzijde 84: na samen met Saskia een wandelingetje te hebben gemaakt in de duinen, stoppen ze aan een theehuis om er iets te gaan drinken.
“ – en ik vroeg haar of zij en haar zusters er goed aan hadden gedaan mijn vader uit te kiezen.”
Bladzijde 199: als Adriaan nood heeft aan bezinning rijdt hij naar de duinen. In zijn ogen zijn ze veranderd en in het fragment uit zijn verleden komt er ook verandering voor.
“Stormen verjoegen mijn vertrouwde horizon;”
In gedachten keert hij dan terug naar de zomer in zijn jeugd waarin weesjes zijn dorp bezochten. Door hun aanwezigheid werd Adriaan opstandig wat leidde tot discussies. We kunnen het vorige citaat dan ook symbolisch opvatten. De weesjes zijn de storm en de vertouwde relatie met zijn vader als de horizon is aan het veranderen.
Een ander, meer letterlijk, voorbeeld; op een stormachtige nacht gebeurt er iets met de paarden wat aanleiding geeft tot een ernstige ruzie met zijn vader, waardoor zijn relatie met hem nog meer verslechtert.
Bladzijde 271-272: Adriaan trekt weer eens de duinen in. Nu begint hij zich werkelijk dingen in te beelden. Samen met zijn vader lijkt hij een tocht om te overleven af te leggen. Ook dat staat weer in verbinding met het verleden want ooit beloofde zijn vader hem het volgende:
“ “Lieve vent. Als ik straks hemelaal beter ben, gaan we trainen voor een grote reis. Vet de riemen van je rugzak maar vast in.”
We kunnen dus besluiten dat Adriaan zowel in harmonie als in strijd leeft met zijn duinen.
Een laatste verwijzing naar de titel vinden we in het feit dat het leven van de personages in Nederland wordt beheersd door de herinneringen aan Indië en dat andere Indische gezinnen in hetzelfde huis wonen.
2a)Verteller van epiloog en proloog
Adriaan, de verteller uit de getitelde hoofdstukken is niet de verteller in epiloog en proloog. In de proloog was zijn moeder nog in verwachting van hem en in de epiloog wordt de mening van een ander over Adriaan gegeven.
“Ze was misselijk en al eeuwen over tijd.” Bladzijde 6)
“Hij haalde een stethoscoop (…) zei hij tegen de meisjes (bladzijde 12)
“ Hoe kon die jongen zijn vader haten?” (bladzijde 277)
Misschien blijkt uit de vorige fragmentjes al dat Lea de vertelster is. Ook andere dingen tonen dit aan.
Zowel in de epiloog als in proloog vinden we geen passage waarbij Lea niet aanwezig was. Meer nog, we zien alles door haar ogen.
“ De moeder zag in het tegenlicht hoe mager Jana’s benen waren” (bladzijde 6)
“De moeder (…), de stijve stof knisperde onder haar vingers, het haar van haar dochters was te kort voor een strik.” (Dit ondervindt ze) (bladzijde 6)
Enkel haar gevoelens komen duidelijk tot uiting en enkel tot haar gedachten en mening hebben we toegang.
“ Ze vertrouwde de Hollandse lente niet” (bladzijde 7)
“ En toch was ze bang, zou ze het zelf wel halen?” (bladzijde 11)
“Saskia maakte het nu al beter, al waren het een paar moeilijke weken geweest (…), als je je kind kon helpen slikte je veel.” (bladzijde 274)
“ Die gebeurtenis had haar gevormd: je kon wel veel van mensen houden, maar ze konden ook zo weer uit je leven verdwijnen.” (bladzijde 275)
In de epiloog wordt daarbij een korte beschrijving gegeven van haar leven en niet dat van een ander personage.
Haar moeder verdween al op haar vierde uit haar leven, gestorven bij de geboorte van haar broer. (…). Daar had hij ook die littekens op zijn rug aan overgehouden.” (bladzijden 275-276)
___________________________________________________________________
2b)Cirkelstructuur
Er zijn elementen die zowel in de epiloog als in de proloog voorkomen. Daarom is er sprake van een cirkelstructuur.
Ten eerste keert in beide fragmenten Lea terug naar haar vaderland. In de proloog keert ze van Indië terug naar Nederland en in de epiloog is dat van Canada naar Nederland.
“Holland kwam hen welkom heten” (bladzijde 10)
“ De gezagsvoerder zei dat Nederland nu voor hen lag, het vliegtuig zette de landing in.” (bladzijde 279)
Verder wil ze bij de terugkeer telkens de kust bekijken, maar dat lukt niet altijd even goed. Van de golven merkt ze wel iets; ze krijgt ze te zien of voelt hun aanwezigheid.
“Alleen maargolven” (bladzijde 5)
“ Ze was een kop groter, maar ze zag even weinig als hij (…), ze voelde de golven van achteren komen. ” (bladzijde 8)
“De moeder wilde de kust zien (…). Ze zag alleen maar golven. (bladzijde 279)
In beide stukken zit ze met vragen en onzekerheden over de toekomst.
“ De onzekerheden vlogen haar aan, ze had geen geld, geen huis, haar gezondheid liet haar in de steek. Wat moest ze doen, hopen of berusten?” (bladzijde 11)
“ Saskia (…): haar jongste mocht er niet ook onderdoor gaan. Het leven ging voort.”
(bladzijde 274)
Steeds cijfert Lea zich weg ten goede van haar familie of houdt ze zich sterk.
“ Ze vergat hoe ziek ze was, veegde met een weids gebaar een stuk reling vrij ” (bladzijde 9)
“ Nee, ze mocht zich niet laten gaan, Aram was er ook nog (…). Dat ventje rekende op haar.” (bladzijde 277)
Gebeurtenissen waarover ze in de proloog vertelt of die ze erin meemaakt, keren in de epiloog terug.
1)“ Ze leunde tegen hem aan, maar schrok van haar heupen, die hard in zijn zij prikten. Ze schaamde zich, ze was nog sterk toen ze hem in Palembang ontmoette, al was ze vel over been.” (bladzijde 8)
“Wat was ze gammel in die dagen” (bladzijde 277)
2)“ Hoe was het mogelijk dat ze nachtenlang onder een Egyptische sterrenhemel had gedanst ” (bladzijde 8)
“ … muziek, dansen onder een sterrenhemel.” (bladzijde 278)
3)“ Ze was misselijk en al eeuwen over tijd.” (bladzijde 6)
“ Toen langzaam duidelijk werd dat de zwelling in haar buik geen oedeem was” (bladzijde 276)
4)“Ze huiverde” (bladzijde 7)
“Verdoofd van de kou stond ze voor de groeve, de ijswind sneed haar adem af” (blz. 273)
De tegenstellingen hitte, waarin werden geboren, en vrieskou, waaraan ze zich moesten aanpassen, komen tweemaal aan bod.
“(…) ze leken zoveel bruiner in het Hollands licht dan onder de tropenzon. (…) , en beet de vrieskou straks niet te hard aan hun vleermuis oren.” (blz. 11)
“ Een kind in de hitte gebakerd liet ze achter in de bevroren grond.” (blz. 273).
___________________________________________________________________
2c) Verteller van de getitelde hoofdstukken
De getitelde hoofdstukken worden verteld door Adriaan van Dis. Hij is de halfbroer van Ada, Sonja en Saskia. De meisjes en Adriaan zijn geboren uit dezelfde moeder, Lea een boerendochter, maar hun vaders verschillen wel.
Dat de schrijver van het boek overeenstemt met het hoofdpersonage blijkt uit het feit dat de thematiek uit Adriaans boeken terug te vinden is in het karakter van dat personage en dus ook bij hemzelf.
“ Zijn thematiek wordt gekenmerkt door een zekere tweeslachtigheid. Aan de éne kant verlangt het hoofdpersonage naar harmonie, zuiverheid, volmaakte schoonheid, aan de andere kant voelt hij zich aangetrokken door de zelfkant van het leven, het groezelige, onvolmaakte, zoals weerspiegeld wordt uit zijn...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



