Het leven
Geplaatst door wendy84 op Zaterdag 04 augustus 2001
leven [filosofie]
Voor een wijsgerige definitie moet men uitgaan van de ervaring dat men zelf leeft. ‘Leven’ en ‘zijn’ vormen in deze zelfervaring een eenheid; ons zijn is een levend-zijn. Wij komen tot het inzicht van een identiteit van leven en zijn. Leven zal dan als transcendenteel begrip participeren aan de gradatie van het zijn: een lagere zijnsgraad is tevens, wijsgerig gesproken, een lagere graad van leven. Alles wat is, leeft in de mate waarin het is. De extensie van een wijsgerig begrip leven strekt zich uit over alles wat bestaat, terwijl het biologisch begrip beperkter van extensie is. Een dergelijke beschouwing kan duidelijk maken, waarom men er tot nu toe niet in geslaagd is een exclusieve wetenschappelijke definitie van leven te geven. Toch heeft het zin rekening te houden met het voorwetenschappelijke onderscheid tussen leven en niet-leven. Dan kan gezegd worden dat leven een zijnsontplooiing is en zich zal uiten, als eenmaal een bepaalde structuur in de evolutie is bereikt. Materie en leven liggen dan in elkaars verlengde, welke lijn men ook tot de geest kan doortrekken. Dan is er behalve wezenlijk onderscheid ook continuïteit van materie, leven en geest.
leven
Een toestand van een in de natuur voorkomend systeem, die is gekenmerkt door eigenschappen als groei, voortplanting en veranderlijkheid van erfelijke eigenschappen. Het leven eindigt door de dood.
Het leven moet reeds zeer lang op aarde hebben bestaan. De oudste tot nu toe gevonden fossielen komen uit de Isua-Formatie van zuidwestelijk Groenland (ouderdom ca. 3800 miljoen jaar). Deze oudste fossielen zijn bolvormig of ellipsoïdaal, met diameters van 1–20 µm, en omgeven door een dunne wand. Zij zijn soms in groepjes gerangschikt. Andere zijn draadvormig en doen aan bacteriën denken. Zie voorts evolutie.
1. Abiotische evolutie
De ontwikkeling van het leven op aarde is waarschijnlijk begonnen met de vorming van eenvoudige organische verbindingen in de oeratmosfeer (een mengsel van de gassen waterstof, waterdamp, ammoniak en methaan) onder invloed van elektrische ontladingen (bliksem) en ultraviolet licht (uit zonlicht) bij temperaturen iets onder het kookpunt van water. Men neemt aan dat deze eenvoudige verbindingen in de oceanen (de oersoep of bouillon) plaatselijk zodanig hoge concentraties hebben bereikt dat hieruit meer ingewikkelde moleculen ontstonden. Uiteindelijk kunnen zo de voor het leven onmisbare organische moleculen (eiwitmoleculen, nucleïnezuren, fosfaten, e.d.) zijn ontstaan: de abiotische evolutie.
2. Biologische evolutie
Groepen eiwitmoleculen, nucleïnezuren, fosfaten, enz. kunnen zijn omringd door een semipermeabel membraan of door groepen van andere moleculen, waardoor geïsoleerde en georganiseerde systemen ontstaan zullen zijn: het begin van eenvoudige cellen, die zich konden voortplanten: de biologische evolutie. De eerste cellen zullen heterotroof zijn geweest: zij zullen gevoed en onderhouden zijn door de ‘bouillon’ waarin ze dreven.
Bij de volgende stap in de evolutie moeten enzymen zijn ontstaan, waarna sommige van de voedselopnemende heterotrofe organismen waarschijnlijk geleidelijk ‘voedselmakende’ autotrofe organismen werden.
Weer een volgende stap in de evolutie van de autotrofe organismen was de ontwikkeling van fotosynthese door middel van chlorofyl. Het ontstaan van de zuurstof producerende fotosynthese, die bij alle groene planten voorkomt, was van enorm belang, want het grootste deel van de zuurstof in de atmosfeer wordt beschouwd afkomstig te zijn van dit proces. Toen vrije zuurstof beschikbaar kwam (waarschijnlijk ca. 2 miljard jaar geleden), kon het leven energie ontlenen aan de oxidatie van de zuurstof. Nu ontstonden de eerste eukaryote organismen (ca. 1,5 miljard jaar geleden) Deze nieuwe stap maakte de evolutie van planten en dieren mogelijk.
De primitiefste planten, de Thallophyta, zijn zeer eenvoudig van bouw; het plantenlichaam is niet verdeeld in stam, bladeren en wortels. Er behoren diverse wiersoorten toe, waaronder zeewieren. Voordat de planten het land veroverden, hadden ze zich niet verder dan dit stadium ontwikkeld. Eenmaal op het land ontstonden er allerlei aanpassingen, m.n. op het gebied van waterhuishouding (bestand tegen uitdroging) en dat van de voortplanting (die niet meer in het water kon plaatsvinden).
De dieren zijn ontstaan uit de eencelligen. De dieren waren door hun meercelligheid in staat grotere afmetingen te ontwikkelen. Zie ook mens.
evolutie [algemeen, biologie], in het algemeen: geleidelijke ontwikkeling (tegenover revolutie); in biologische zin: de geleidelijke ontwikkeling van de (soorten) organismen. De verschillende levensvormen hebben hun huidige vorm en positie in de natuur te danken aan een ontwikkeling uit andere vormen. De gedachten over de wijze waarop de evolutie heeft plaatsgehad (en voortgaat), hebben geleid tot diverse evolutietheorieën.
Evolutie van de menselijke schedel
Gedurende de afgelopen drie miljoen jaar heeft de menselijke schedel drastische veranderingen ondergaan. Terwijl de schedel evolueerde van Australopithecus naar Homo sapiens sapiens, nam de omvang toe om de groter wordende hersenen te kunnen bevatten en werd het gezicht platter, werden de tanden kleiner en week de kin steeds verder terug. Wetenschappers denken dat de enorme groei van de hersenen verband zou kunnen houden met de steeds verdergaande ontwikkeling in het gedrag van de mensachtigen. De hersenen van de moderne mens zijn perfect geschikt voor leren en redeneren. De mens kent daardoor een snelle ontwikkeling van het gedrag. Dit wordt doorgegeven van ouder op kind en evolueert zeer snel: culturele evolutie.
Australopithecus afarensis
Australopithecus afarensis is een van de eerste mensachtigen. Hij trad ca. 4,5 miljoen jaar geleden voor het eerst op. Op de afbeelding is een reconstructie te zien van een schedel. De lichte delen stellen de gevonden botfragmenten voor en de zwarte delen geven weer hoe de gehele schedel eruitgezien zou kunnen hebben.
1. De plaats van de mens
De plaats van de mens tussen de hem omringende levende wezens wordt van verschillende kanten beschouwd.
Zowel in de wijsgerige antropologie als in de theologische antropologie is men in het algemeen geneigd uit te gaan van datgene waarin de mens van de hem omringende natuur verschilt.
In de cultuurfilosofie onderscheidt de mens zich door het bezit van religie, arbeid, spel en kunst van zijn omgeving.
Het onderzoek naar de afstamming en de evolutie van de mens is een van de onderwerpen van de antropobiologie in engere zin.
2. Kenmerken van de mens
Een belangrijk kenmerk van de recente mens is het bezit van een cultuur (niet...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



