Adverteren via Roadside
LoginnaamWachtwoord
Criminaliteit, strafrecht en samenleving
Geplaatst op Zondag 26 augustus 2001


Hfd 2.
Waarden:wat mensen goed vinden, beschouwen ze als doelen in hun leven waarnaar ze altijd zullen blijven streven. Deze doelen zijn waarden.
Waarden kunnen op verschillende manieren worden "vertaald" in concrete gedragsregels. Deze gedragsregels noemen we normen.
*religieuze normen: elke godsdienst stelt eigen normen.
*morele normen: meeste mensen hebben morele principes. Morele principes kunnen voortkomen uit een godsdienstige overtuiging (bijv. respect voor andere mensen),
*fatsoennormen: in elk maatschappelijk milieu geldt een ingewikkeld stelsel van ongeschreven omgangsnormen. Fatsoennormen worden cultureel en milieu bepaald.
Persoonlijke normen ontstaan min of meer vanzelf (ongeschreven regels). Meestal ontstaan persoonlijke normen onder invloed van de mensen in de naaste omgeving. Wie zijn eigen persoonlijke normen niet kan hanteren wordt gefrustreerd of krijgt gewetensconflicten. Bijv. een student die graag een tentamen wilt halen maar niet op tijd uit bed kan komen om te gaan studeren.
Veel normen ontstaan in groepen waarin mensen leven. Ook deze normen worden niet bewust uitgedacht, maar groeien vanzelf. Vaak zijn deze normen trendgevoelig; wie zich niet aan de groepsnormen conformeert, wordt "abnormaal" genoemd, wordt gepest, uit de groep gestoten en gediscrimineerd.
Persoonlijke normen en groepsnormen zijn ongeschreven regels.
Er zijn ook normen die ontstaan doordat de overheid bewust over goed en kwaad gaat nadenken en algemeen geldende regels formuleert. Het vastleggen van deze regels noemen we codificatie.
Wetten: regels die op deze manier door de overheid zijn vastgelegd
Codificatie is belangrijk omdat mensen pas zekerheid over de inhoud van de regels kunnen hebben als die voor iedereen zo duidelijk en eenduidig op papier staan.
Rechtsregels hebben in het algemeen voorrang boven andere regels en normen. Al deze normen, zowel de geboden als de verboden, de dwangmaatregelen en de strafsancties noemen we: rechtsnormen of rechtsregels.
Er zijn ook ongeschreven rechtsregels: regels die ontstaan zijn in praktijk van alledag, maar die nooit zijn opgeschreven.
-op de eerste plaats geven rechtsregels zekerheid. Mensen kunnen zich op wetten beroepen.
-rechtsregels hebben ook de pretentie (bedoeling) de samenleving zo doelmatig te ordenen. Dit soort wetten brengt een ordening aan in de samenleving waardoor zaken soepeler kunnen verlopen.
-rechtsregels maken onafhankelijke rechtspraak mogelijk. Rechters kunnen dankzij de rechtsregels hun werk doen. De rechter hoeft zich alleen aan de regel van de wet te houden en kan zich daardoor onafhankelijk van iedereen (ook van de overheid) opstellen. Alleen de wet zegt wat de rechter moet doen. De rechter kan zelfs de overheid tot de orde roepen wanneer die iets doet wat in strijdt met de wet is.
-rechtsregels kunnen conflicten voorkomen of ze op een vreedzame wijze beslechten (= oplossen, einde aan maken)
-rechtsregels kunnen de rechtvaardigheid bevorderen. Ze geven aan wat door de overheid goed en slecht bevonden wordt.
-rechtsregels maken, evenals andere normen, gedrag voorspelbaar. (Je mag erop rekenen dat auto’s rechts van de weg rijden)
-rechtsregels dragen bij aan het voortbestaan van de groep of van de samenleving.
Natuurlijk werken rechtsregels ook wel eens averechts. Soms kunnen ze juist conflicten oproepen. (bijv. in de jaren 70 was het in Ned. het plegen van abortus verboden terwijl er duizenden vrouwen toch abortus konden laten plegen in speciale klinieken).
Ook over de vraag of het recht de rechtvaardigheid op de juiste manier bevordert, kunnen conflicten ontstaan. Het positieve recht, het recht dat in een samenleving geldt, is volgens bepaalde groepen in de samenleving niet in overeenstemming met het "ideale recht".
Het gewoonterecht, het recht dat niet is gecodificeerd (vastgelegd), valt buiten dit kader. >>wetgeving die te maken heeft met criminaliteit<<
Het privaatrecht regelt vooral welke verplichtingen mensen ten opzichte elkaar hebben wanneer ze afspraken willen maken, contracten willen sluiten, goederen willen kopen, huizen willen verhuren, willen trouwen, enz.
Het publiekrecht regelt vooral de relatie tussen de overheid en de burger. Daaronder vallen bijv. het staats- en bestuursrecht (parlement, verkiezingen, verhouding burger-gemeente, enz.) en het strafrecht.
Vooral het strafrecht is van belang als we gaan praten over criminaliteit.
Hfd 3.
Strafbaar: mensen kunnen ervoor gestraft worden.
Strafwaardig: men zou ervoor gestraft moeten worden.
Overtredingen: schending van regels die onze maatschappij ordenen, schendingen die niet als erg worden beschouwd (bijv. een fietser rijdt door het rode licht >> wordt door niemand beschouwd als een misdadiger)
Misdrijven: strafbare gedragingen die door iedereen (in ieder geval door de wetgever) als moreel onaanvaardbaar worden beschouwd. Bijv. diefstal, mishandeling, moord.
Criminaliteit: alle strafbaar gestelde gedragingen.
Legaliteitsbeginsel: dat iemand alleen gestraft mag worden op grond van strafbepalingen die opgeschreven staan in door de overheid vastgestelde wetten.
Er komen telkens nieuwe criminele handelingen bij, dus ook de wetten veranderen en komen erbij. De ontwikkelingen in de samenleving zijn daarvan de oorzaak=> recht is dus een cultuurverschijnsel dat bepaald wordt door tijd en plaats. Ook het groeiend milieubesef heeft ertoe geleid dat het vervuilen van het milieu nu in een aantal gevallen criminaliteit te noemen is, terwijl dat vroeger niet zo was. In andere landen en culturen met andere waarden en normen zullen natuurlijk ook andere opvattingen heersen over wat strafbaar moet zijn.
Het vertalen van de heersende waarden en normen over wat crimineel is, gebeurt in Nederland sinds de Franse Revolutie door de wetgever.
Met name de Franse filosoof Montesquieu bracht het denken over de rechtspraak op een hoger niveau door het formuleren van zijn ideeën van de Trias Politica. De machten in de samenleving moesten gescheiden worden in een wetgevende, uitvoerende, en een rechterlijke macht. De rechterlijke macht moest zich houden aan de wetten zoals die door de wetgevende macht waren gemaakt. De wetgever moest dus bepalen wat strafbaar, wat crimineel was.
De wetgever blijkt in de praktijk niet zo flexibel te zijn dat hij zich snel aan allerlei veranderingen in de samenleving kan aanpassen.
Wanneer het hoogste rechtscollege in Nederland, de Hoge Raad, in een arrest (de beslissing van de Hoge Raad in een zaak die haar is voorgelegd) zo’n uitspraak heeft gedaan, heeft deze uitspraak in feite hetzelfde effect als een wet.
Jurisprudentie: uitspraken van rechters die gevolgen kunnen hebben voor toekomstige rechtszaken.
Politici die er bewust van uitgaan dat de Hoge Raad duidelijkheid moet scheppen over de vraag of bepaalde handelingen wel of niet strafbaar zijn, nemen hun eigen taak natuurlijk niet serieus. Zij zijn het immers die >>op grond van het feit dat ze een mandaat (bewijs van vertegenwoordiging) van hun kiezers hebben gekregen<< moeten bepalen welke regels in de samenleving moeten gelden.
We kunnen het begrip criminaliteit nu omschrijven als strafbaar gesteld gedrag.
*agressieve criminaliteit: hieronder worden misdrijven verstaan zoals mishandeling, vernieling, moord, agressie tegenover de openbare orde en het gezag.
*seksuele criminaliteit: misdrijven als aanranding, verkrachting, incest, seksuele omgang met kinderen enz.
*vermogenscriminaliteit: misdrijven als diefstal en heling, maar ook fraude en belastingontduiking.
*verkeerscriminaliteit: misdrijven als rijden onder invloed en doorrijden na een ongeval.
*overige criminaliteit: hieronder vallen de misdrijven die niet onder de andere categorieën vallen. Enkele voorbeelden: de drugshandel, verboden wapenbezit, misdrijven gepleegd door militairen, milieudelicten.
Kleine criminaliteit: massaal voorkomende strafbare gedragingen die hinderlijk zijn voor de burgers en die gevoelens van onveiligheid bij de burgers kunnen vergroten. Bijv. bedreigingen, vechtpartijen, andere vormen van klein geweld, fietsendiefstallen, inbraken in woningen, voetbalvandalisme, zwartrijden bij het openbaar vervoer, winkeldiefstallen en verkeersdelicten.
Omdat het woord kleine criminaliteit ten onrechte de suggestie gewekt zou kunnen worden dat het gaat om futiliteiten, gebruikt de overheid liever het begrip: veelvoorkomende criminaliteit.
Zware criminaliteit: moord, verkrachtingen, georganiseerde misdaad, drugshandel.
Hfd 4.
De politie registreert alle overtredingen en misdrijven die bij haar worden gemeld of die zij zelf constateert.
Politiestatistieken: allerlei soorten diagrammen, tabel of grafiek met cijfers. Deze statistiek valt onder de geregistreerde criminaliteit.
Redenen om cijfers te relativeren:
* De cijfers geven geen beeld van de totale criminaliteit omdat veel slachtoffers om verschillende redenen geen aangifte doen van bepaalde misdrijven. Bijv. winkeldiefstallen worden vaak niet gemeld omdat de winkelier weinig vertrouwen heeft in de politie.
*De politie heeft een aantal prioriteitstaken. De politie voert een selectief opsporingsbeleid, dat wil zeggen dat ze niet zoveel aandacht besteedt aan alle vormen van criminaliteit. Als de politie geen mankracht heeft en de vaardigheid mist om computerfraude op te sporen, blijkt uit de politiestatistieken dat er nauwelijks sprake is van dit misdrijf. Wat niet wordt geconstateerd kan ook niet worden geregistreerd.
*zichtbare vormen van zichtbare vormen van criminaliteit zoals geweld en verkeersdelicten, komen vaker ter kennis van de politie dan minder zichtbare vormen zoals fraude.
*de toename van het aantal regels en de groei van bepaalde activiteiten (verkeer) brengt een toename van het aantal overtredingen met zich mee.
*De cijfers moeten gekoppeld worden aan demografische gegevens. Bijv. Ned: vergrijzing, bevolkingsgroei neemt af, minder kinderen; cijfers over de groei of afname van de bevolking.
*Veel strafbare feiten worden nooit ontdekt. Bijv. fraudes en computercriminaliteit en verkeersovertredingen.
Strafbare feiten die bij de politie bekend zijn, wordt maar een bepaald gedeelte opgehelderd. Ophelderingspercentages worden ook gepubliceerd. Zij geven aan dat het aantal misdrijven dat wordt opgehelderd in de afgelopen jaren is gedaald. Veel verdachten van strafbare feiten krijgen van de politie een voorstel van transactie (hele lichte overtreding). Ze mogen dan een bedrag aan de politie of aan het Openbaar Ministerie betalen in ruil voor verdere vervolging. De minister van justitie kan ook besluiten om bepaalde zaken te seponeren. Hij ziet dan af van verdere vervolging bijv. omdat de verdachte pas voor de 1e keer met justitie in aanraking komt, omdat de verdachte nog erg jong is, of zelfs omdat het justitiële apparaat vanwege overbelasting minder ernstige delicten niet wil vervolgen.
Uiteindelijk komt maar een klein gedeelte van de strafbare feiten die bij de politie staan geregistreerd terecht bij de rechtbanken. Rechtbankstatistieken zijn om deze redenen niet betrouwbaar=> deze statistiek valt ook onder de geregistreerde criminaliteit. Zij geven natuurlijk wel nauwkeurig aan hoeveel verdachten schuldig bevonden worden aan het ten laste gelegde misdrijf. De politie registreert elk persoon die wordt verdacht. De rechtbank registreert welke verdachten ook daadwerkelijk schuldig bevonden worden. Over de totale criminaliteit in de samenleving zeggen ze echter weinig.
Niet geregistreerde criminaliteit kan worden onderzocht door middel van slachtofferenquêtes en self-report onderzoeken
Slachtofferenquêtes: daarbij wordt dan gevraagd of men slachtoffer is geworden van een misdrijf. Ook wordt geïnventariseerd van welke misdrijven de onderzochten zeggen slachtoffer geworden te zijn. Deze enquêtes leveren vooral gegevens op over de kleine criminaliteit: zoals diefstallen, doorrijden na een aanrijding, beschadigingen van auto’s enz.
Op een aantal punten zijn deze enquêtes niet betrouwbaar:
*slachtoffers van moord kunnen niet meer ondervraagd worden
*slachtoffers van misdrijven als chantage en verkrachting zullen het misdrijf eerder onvermeld laten omdat ze niet bereid zijn hun gevoelens bloot te leggen.
*veel misdrijven leveren geen duidelijk slachtoffer op. Bij misdrijven als vernieling van bushokjes, telefooncellen, treinstellen, of bankovervallen, of belastingfraudes en misbruik van sociale verzekeringen, of diefstallen in grootwinkelbedrijven. In feite is de gewone burger het slachtoffer van deze misdrijven omdat hij via belastinggelden en hogere prijzen het gelag moet betalen, maar dat heeft hij vaak niet in de gaten.
Self-report-onderzoeken: in dit geval wordt echter gevraagd naar de misdrijven die de ondervraagde begaan heeft. Deze enquête wordt anoniem afgenomen en heeft een groot aantal voordelen. De meeste mensen zijn wel bereid hun pekelzonden (klein misdrijven) op te biechten. Hierdoor komen ook misdrijven aan het licht die uit de slachtoffer enquête niet duidelijk worden zoals de misdrijven waarbij geen duidelijke individuen als slachtoffer zijn aan te wijzen. Bovendien kan via deze methode beter onderzocht worden of er een relatie is tussen bepaalde vormen van criminaliteit en sociale klassen. Zo blijken rijke mensen meer misdaden te plegen dan vroeger algemeen werd aangenomen. Het soort misdrijf dat wordt gepleegd lijkt soms wel milieubepalend te zijn. Agressiedelicten komen vaker voor in armere milieus, witteboordencriminaliteit in rijkere milieus.
Jeugdigen bedrijven vooral kleine criminaliteit waarvoor ze zich meestal niet erg schamen, zodat ze genegen zijn eerlijke antwoorden te geven op de vragen in de enquête. Ook aan de self-report-onderzoeken kleven nadelen als we haar willen gebruiken om een duidelijk beeld te krijgen van de criminaliteit in de samenleving over een aantal jaren:
-naarmate de misdaad zwaarder is, zal de dader minder genegen zijn eerlijke antwoorden te geven op de vragen
-beroepscriminelen zullen wellicht helemaal niet meewerken aan dit soort onderzoeken.
Massamedia die klakkeloos cijfermateriaal publiceren zonder daarbij kritische kanttekeningen te plaatsen geven verkeerde voorlichting. Politici kunnen daarin vaak gesteund worden door massamedia, het cijfermateriaal misbruiken om die dingen aan te tonen die in hun straatje passen. Toch kunnen we enkele conclusies trekken uit de combinatie van de cijfers.
*Een groep van probleemjongeren is verantwoordelijk voor een groot deel van de kleine criminaliteit. Deze jongeren onderscheiden zich op tal van punten:
-ze hebben veel sociale problemen, ze gokken, gebruiken drugs, hebben weinig banden met de samenleving.
-hebben nauwelijks perspectief op sociale mobiliteit (stijgen op maatschappelijke ladder). Vanwege hun lage opleiding komen ze nauwelijks in aanmerking voor zinvol werk.
-ze hebben vaak een slecht ontwikkeld gevoel voor waarden en normen. Problemen met en tussen de ouders spelen daarbij een belangrijke rol.
-ze beschikken niet over voldoende sociale vaardigheden om zich een plaats in de samenleving te kunnen veroveren
-ze zijn vaak van allochtone herkomst
*Etnische afkomst speelt een rol. Allochtone groepen blijken ondervertegenwoordigd te zijn in witteboordencriminaliteit, maar oververtegenwoordigd in delicten als diefstal en drugshandel
*Ook de locatie speelt een rol. Bewoners van grote steden vertonen meer crimineel gedrag dan bewoners van kleinere steden en dorpen. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat er in grote steden meer kansarme jongeren wonen en dat er minder sociale controle is.
*Ook kun je vaststellen dat criminaliteit in zekere zin milieugebonden is. In lagere milieus komen meer agressieve delicten en inbraak/diefstal voor. In hogere sociale milieus komt meer witteboordencriminaliteit (belastingontduiking, fraude, verduistering) voor.
*Je kunt verder constateren dat de georganiseerde misdaad in de afgelopen decennia is toegenomen. Oorzaken daarvan zijn vooral te vinden in de toenemende vraag naar illegale goederen zoals drugs en wapens
*Verder kun je constateren dat meisjes in de criminaliteitscijfers een grotere rol gaan spelen. Dat heeft te maken met de veranderde opvoeding en de voortschrijdende emancipatie
HFD 5
De theologische visie en de klassieke school:
Met de moderne westerse beschaving beginnen we bij de Grieken en Romeinen. Over de oorzaken van de misdaad heeft echter niemand uit die tijd iets op papier gezet. Er zijn slechts wat algemene opmerkingen te vinden over ellende als oorzaak van alle kwaad.
Pas in de renaissance schrijft de Engelse filosoof Thomas More, over de oorzaken van de criminaliteit. Geheel in overeenstemming met de ideeën die blijken uit de rest van zijn werk verklaart More de uit sociale oorzaken. De criminaliteit zou het beste bestreen kunnen worden door de nood van het volk te lenigen en door te zorgen dat er voor iedereen werk en een inkomen was.
In het midden van de 18e eeuw gingen belangrijke Franse filosofen Rousseau, Montesquieu en Voltaire zich afzetten tegen de traditionele christelijke opvattingen van die dagen. De kerk had een eenvoudige verklaring voor het bestaan van de criminaliteit. Door de erfzonde was de mens zondig geworden, geneigd door het kwade. De filosofen namen geen genoegen met deze theologische verklaringen en gingen zoeken naar rationele verklaringen voor het bestaan van criminaliteit.
Buiten Frankrijk werden vele denkers geïnspireerd door de ideeën van de Franse filosofen. Cesare Beccaria is van hen in dit verband de belangrijkste. Hij verzette zich krachtig tegen de buitensporige en willekeurige straffen die in die tijd werden opgelegd, en pleitte voor wetten op grond waarvan gestraft zou moeten gaan worden. In zijn boek legde hij sterk de nadruk op de maatschappelijke oorzaken van misdaad. Hij ging ervan uit dat de mens een rationeel wezen is. De misdaad wordt daardoor een kwestie van berekening; een analyse van kosten en baten.
Straf moet ervoor zorgen dat misdaad niet loont. De straf moet bovendien rechtvaardig zijn en niet strenger dan nodig. Het voorkomen van misdaad via de wet is volgens Beccaria niet zozeer een kwestie van het dreigen met straffen, maar vooral van het maken van wettelijke regelingen waardoor sociale omstandigheden die tot misdaad leiden, verdwijnen. Beccaria had een optimistische maatschappijvisie. De opvattingen van Beccaria over criminaliteit en de rationele mens noemen we: de klassieke school.
Biologische-Psychologische theorieën (de antropologische school):
De Turijnse gevangenisarts Cesare Lombroso ontwikkelde een theorie gebaseerd op onderzoek onder duizenden gevangenen. Zijn theorie legde een verband met de evolutietheorie. Criminaliteit was iets primitiefs dat vanzelf zou verdwijnen wanneer de evolutie zijn gang zou kunnen gaan. Mensen die ernstige misdaden bedrijven, zijn in deze opvatting individuen die nog erfelijke eigenschappen bezitten die de meeste mensen in de historie van de evolutie al doorlopen hebben. De psychische eigenschappen van deze mensen >>de neiging tot misdaad, morele afstomping en de wispelturigheid<< gaan samen met fysieke eigenschappen, zoals een bepaalde schedelvorm, een laag voorhoofd, vergroeide oorlellen, flaporen en een geringe pijngevoeligheid.
Omdat Lombroso zijn theorie baseerde op zijn "vermeende" kennis van natuur van de mens (in Grieks: antropos) noemen we zijn opvattingen: de antropologische school.
De theorie sloot ook aan bij het toen der tijd algemeen verspreide bijgeloof dat het karakter van een persoon weerspiegeld is in zijn uiterlijk. De aantrekkelijkheid van de theorie werd natuurlijk verhoogd door het feit dat de schuld voor de misdaad gelegd werd bij de misdadiger zelf en niet bij de burgers. Maar voor het bestaan van mensen die erfelijk behelst zijn met misdadige eigenschappen is de gewone burger niet verantwoordelijk.
Enkele conservatieve politici in de VS hebben al beweerd dat misdadigheid wel genetisch bepaald zal zijn. Misdaad moet in hun ogen bestreden worden door genetische manipulatie. Politici kunnen deze theorieën dan misbruiken door de andere factoren uit de samenleving te negeren als veroorzakers van de criminaliteit.
De reden waarom de theorieën van Lombroso zo’n succes konden hebben, bestaat ook nu nog. De schuld wordt immers bij de misdadiger zelf gelegd en niet bij de samenleving. Dat verklaart ook de felheid waarmee anderen de theorieën bestrijden.



Sociologische en sociaal-psychologische theorieën:
Lombroso had felle tegenstanders. Aanvankelijk waren deze felle tegenstanders vooral Franse artsen die parallellen zagen met ontdekkingen in de medische wetenschappen. De tegenstanders van Lombroso trokken dit idee door naar de samenleving. De crimineel vergeleken zij met de bacterie die pas goed gaat gedijen als de voedingsbodem, het sociale milieu, daartoe aanleiding geeft. De voedingsbodem is de samenleving. Elke samenleving heeft dus de misdaad die zij verdient.
Lombroso heeft naar aanleiding van deze kritieken zijn...


[ Log in of registreer gratis om dit hele document te bekijken ]





Reacties
[post reply]

Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

Win

Laatst bekeken...
06:40  Karel ende Elegast
06:40  Uitreksel maken
06:40  Cyprus
06:39  Catharina Parr
06:39  Paragraaf 4.1 t/m 6.8
06:39  De spaansche Brabander van Br...
06:39  Picture of Dorian Gray van Wi...
06:39  Twee vrouwen : roman van Muli...
06:39  Het behouden huis van Hermans...
06:39  Etoile errante van Clezio, J....


Forum Scholierennet.com
Boeken nodig
Resetten zonder programmas kwijt t...
Middenjury Kantoor
Evantail voor middelbaar
Ervaring met economische wetenscha...
Internationaal jongeren filmfestival
WISKUNDE TSO (informatica ed) : Af...
Spreekbeurt muziek
Gameverslaafd
Naam wijzigen