Verdamping van een plant
Geplaatst op Vrijdag 31 augustus 2001
Verdamping kom je in het dagelijks leven veel voor, zoals bij voorbeeld het koken van water.
Maar ook planten kennen verdamping. Een mooi woord voor de verdamping bij planten is transpiratie. Het water verdampt via de zogenaamde bladklieren of huidmondjes, die meestal aan de onderzijde van het blad liggen.
Planten verdampen water om zo een continue opwaartse sapstroom te creëren, waardoor ze in staat zijn om de meegevoerde zouten uiteindelijk in het blad te krijgen.
Normaal vindt de verdamping plaats vanuit de bladparenchymcellen naar de intercellulaire holtes in het blad.
Vervolgens verdwijnt de waterdamp door middel van diffusie, via de huidmondjes uit het blad naar de omgeving. De mate van verdamping ( verdampingssnelheid) wordt in belangrijke mate bepaald door de relatieve luchtvochtigheid. Deze relatieve luchtvochtigheid kun je op 2 manier berekenen:
1. De hoeveelheid H2O damp, die zich bij een bep. temp. in een bep. ruimte bevindt
maximale hoeveelheid H2O damp, die zich bij die tem in die ruimte kan bevinden
2.een methode waarbij je ervan uitgaat dat er warmte nodig is om water te laten
verdampen
* Twee geijkte thermometers bevinden zich in elkaars nabijheid in dezelfde ruimte
* Bij de ene thermometer wordt de normale luchttemperatuur afgelezen. Deze temperatuur
noemt men de droge boltemperatuur (TT). Om het kwikreservoir van de andere
thermometer bevind zich een in water gedrenkt kousje. De temperatuur die men bij deze
thermometer afleest noemt men de natte boltemperatuur (HT)
* Het verschil in temperatuur tussen TT en HT is een maat voor de relatieve luchtvochtigheid
Het doel van de experimenten die wij hebben gedaan is duidelijk maken welke invloed de
relatieve luchtvochtigheid heeft op de snelheid waarmee de verdamping plaatsvindt.
Experiment 5.1: Meten van de verdampingssnelheid van water door de bladeren van een ligustertak
Onderzoeksvraag: Wanneer is de verdampingssnelheid het grootst, bij een ligustertak met het volledige bladoppervlak of bij een ligustertak met het volledige bladoppervlak of bij een ligustertak met de helft van het bladoppervlak?
Hypothese: De verdampingssnelheid is het grootst bij de ligustertak met het volledige
bladoppervlak.
Toetsen van de hypothese: Ik ga 2 experimenten uitvoeren, één met een ligustertak met het
volledige bladoppervlak en één met een ligustertak met de helft van het bladoppervlak. Je kunt dan kijken waar de verdampingssnelheid het grootst is en zo kun je kijken of je hypothese klopt.
Materiaal: - vaporometer, om de verdampingssnelheid te meten,
- meetlat,
- opstelling met een ligustertak,
- thermometeropstelling,
- stopwatch, om de tijd bij te houden
Methode: De methode die ik gebruikt heb, is de methode die ik in de inleiding bij punt 2 heb getypt.
Eerst hebben we de bladeren geteld. Daarna hebben we de injectiespuit zo ingedrukt, dat het waterniveau zo ver mogelijk in de horizontale buis van de vaporometer wordt gebracht. Toen hebben we de HT en de TT afgelezen en zijn we begonnen met het meten. Na afloop hebben we weer de HT en TT gemeten. Je kunt nu dus de relatieve luchtvochtigheid in de ruimte berekenen voor en na de proef.
A Verdamping bij een ligustertak met het volledige bladoppervlak
De ligustertak had 24 bladeren.
Verband tussen de verplaatsing en de tijd
Tijd (minuten) Verplaatsing (mm)
0 9
2 12
4 16
6 18
8 21
10 24
12 27
14 30
16 33
18 36
HT TT
Begin 16,8 21,8
Eind 16,0 21,4
Opstelling van de proef:
De opstelling van de proef kunt U op de pagina hiernaast vinden.
B Verdamping bij een ligustertak met de helft van het bladoppervlak
De ligustertak heeft nu 12 bladeren
Verband tussen de tijd en de verplaatsing
Tijd (min) Verplaatsing (mm)
0 4
2 6
4 8
6 10
8 12
10 14
12 16
14 18
16 19
HT TT
Begin 16,0 21,4
Eind 16, 21,4
Evaluatie:
1.de gegevens van A en B in één grafiek
Verband tussen tijd en verplaatsing A en B
Tijd (min) Verplaatsing A (mm) Verplaatsing B (mm)
0 9 4
2 12 6
4 16 8
6 18 10
8 21 12
10 24 14
12 27 16
14 29 18
16 33 19
18 36 -
In deze grafiek zie je dat A meer verdamp in dezelfde tijd dan dat B verdampt. Je kunt dus zeggen dat de verdampingssnelheid bij A groter is, dus dat de verdampingssnelheid bij een ligustertak met het volledige bladoppervlak groter is dan bij een ligustertak met de helft van het bladoppervlak. Onze hypothese klopt dus. Dit is eigenlijk heel normaal, want A heeft 2 keer zoveel bladeren als B en zal dus ook ongeveer 2 keer zoveel verdampen.
2. De relatieve luchtvochtigheid voor en na de experimenten:
Voor de experimenten was de HT 16,8 en de TT 21,8. De relatieve luchtvochtigheid is dus 21,8 – 16,8 = 4,0 ofwel 60%. (komt uit het tabelboek)
Na afloop van de experimenten was de HT 16,0 en de TT 21,4. De relatieve luchtvochtigheid is dus 21,4 – 16,0 = 5,4 ofwel 57 %. (komt uit...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



