Welvaart - Hoofdstuk 1 t/m 4
Geplaatst op Zaterdag 22 juni 2002
Hoofdstuk 1: vakantie en werken
Om behoeften te bevredigen heb je middelen nodig; goederen en diensten die geschikt zijn voor consumptie. Goederen zijn stoffelijk of materieel (voeding, kleding). Diensten zijn onstoffelijk of immaterieel (onderwijs, vakantiereizen).Omdat de behoefte groter is dan de middelen is er volgens economen sprake van schaarste. Iets is schaars in economische zin als er productiefactoren moeten worden opgeofferd om datgene te produceren. Voorbeelden van productiefactoren zijn grondstoffen, arbeidskracht en machines.
Door de productiefactoren op een bepaalde manier te combineren ontstaat een product dat meer waard is dan het oorspronkelijke, er is meer waarde toegevoegd aan de grondstof. Dit proces waarbij waarde wordt toegevoegd noemen we produceren.
Zijn er voor een bepaald goed geen productiefactoren opgeofferd dan noemen we dat een vrij goed (zonlicht).
De keuzes die worden gemaakt in de (gezins)huishoudingen en in de bedrijven vormen het terrein van de micro-economie. Het dagelijks leven zit vol micro-economische keuzes. In de micro-economie worden deze keuzes van consumenten en producenten bestudeerd. Vaak worden je keuzes beïnvloed door reclames.
Naast micro heb je ook nog de meso en de macro-economie. De meso-economie houdt zich bezig met een bedrijfstak, bijvoorbeeld de bouw of de horeca.
De macro-economie houdt zich bezig met de economische keuzes van een heel land of meerdere landen
De keuzes van bepaalde mensen/groepen kunnen tegen elkaar opbotsen: belangenconflict.
Hoofdstuk 2: productie en inkomen.
Vroeger was er vooral directe ruil. Dit hield in dat je bv 1 liter melk ruilde voor 2 broden. Later kwam er de indirecte ruil. Bij indirecte ruil werden ruilmiddelen gebruikt zoals schelpen, zout enz.Door de ontwikkeling van de ruil ging gepaard met de ontwikkeling van arbeidsverdeling. Een slager bv. hoefde zich vanaf dat moment nog alleen maar bezig te houden met vlees verwerken (specialisatie)
Delfstoffen rekenen we tot de productiefactor natuur. Zijn ze eenmaal geëxploiteerd dan noemen we ze kapitaalgoederen, want er heeft productie plaatsgevonden.
De volgende productiefactor is kapitaal. Om iets te kunnen produceren heb je diverse kapitaalgoederen nodig: gebouw enz. Om kapitaalgoederen aan te schaffen is geldkapitaal nodig.
Er zijn 2 mogelijkheden om investeringen te betalen: eigen geld(vermogen) of met geleend geld, vreemd vermogen.
Het geld wordt geïnvesteerd in verschillende productiefactoren zoals: arbeid (loon), natuur (grondstof) en kapitaal (gebouw enz)
De totale opbrengst van het verkopen van een product noemen we de omzet. De omzet kun je berekenen door het aantal verkochte producten te vermenigvuldigen met de gemiddelde verkoopprijs.
In een productie proces wordt waarde toegevoegd aan de ingekochte grond - en hulpstoffen. De totale waarde die wordt toegevoegd aan de grond – en hulpstoffen noemen we productiewaarde / toegevoegde waarde. De toegevoegde waarde kan berekend worden door de omzet te verminderen met de inkoopwaarde van grond – en hulpstoffen.
De toegevoegde waarde van een bedrijf gaat in zijn geheel op aan beloningen aan degenen die factordiensten (arbeid, verhuren)hebben geleverd. De inkomens die zo ontstaan worden daarom ook wel factorinkomens genoemd.
Belangrijkste onderdeel van de administratie van een bedrijf is de balans of de resultatenrekening. De balans is een momentopname van de bezittingen van een bedrijf en de manier waarop de bezittingen zijn betaald. De bezittingen, activa, staan links, rechts staat het vermogen, passiva.
Bij een balans staan altijd links bovenaan de vaste kapitaalgoederen of vaste activa. Het kenmerk hiervan is dat ze langer dan een jaar worden gebruikt.
Onder de vaste activa komt de vlottende activa (vlottende kapitaalgoederen). Het geld dat in deze activa is gestoken komt binnen een jaar weer vrij.
Onderaan de lijst staan de liquide middelen of liquide activa. Deze bestaan uit betaalmiddelen zoals kasgeld of geld op de bank.
Aan de linkerkant staat bovenaan het eigen vermogen of permanente vermogen. Dit is het geld dat door de eigenaar in het bedrijf is gestoken en waarover het bedrijf lang blijvend over kan beschikken.
Al het ander vermogen is vreemd vermogen. Schulden die pas na een jaar hoeven worden terugbetaald noemen we lang vreemd vermogen en minder dan een jaar noemen we kort vreemd vermogen.
Of een bedrijf winst maakt in een bepaalde periode kun je aflezen in een resultatenrekening. Hier in staan alle opbrengsten en kosten.
Al de bedrijven waarin de opeenvolgende productiestadia worden doorlopen, van oerproducent to degene die kant en klare eindproducten verkoopt, vormen samen de bedrijfskolom.
Als je wilt weten hoeveel er in totaal geproduceerd en verdiend wordt in een land; we aggregeren de toegevoegde waarde van alle bedrijven en vinden de totaalwaarde van de productie van de sector bedrijven. In feite is het een kringloop van goederen en een tegenovergestelde kringloop van geld.
Een gezin geeft geld uit aan producten > dat geld is opbrengst van bedrijf > dat geld wordt geïnvesteerd in productiefactoren >overgebleven geld zijn factorinkomens en gaan mede naar gezinnen als loon > gezin geeft het geld uit aan producten.
Naast particuliere sector heb je de collectieve sector (overheid). De inkomsten zijn belastingen. Daardoor kun je de productie niet op dezelfde manier vaststellen zoals bij particulieren bedrijven.
De waarde van de overheidsproductie wordt gelijkgesteld aan de salarissen van de ambtenaren
Tellen we de productiewaarde van de bedrijven en de overheid bij elkaar op dan hebben we het binnenlands product/inkomen. Het binnenlands product houdt in: de waarde van de productie die tot stand werd gebracht door de sector bedrijven en de sector overheid.
Er zijn ook mensen die hun geld in het buitenland verdienen. Omgekeerd verdwijnt er ook geld naar het buitenland. Houden we rekening hier mee dan komen we tot het nationaal product/inkomen. Het nationaal inkomen bestaat dus uit het binnenlands inkomen plus de inkomens uit het buitenland min de inkomens die betaald zijn aan het buitenland.
Volgens de wet is iedereen verplicht zijn inkomens te melden bij de belastingdienst. Maar dat doet niet iedereen en dat wordt het officieuze circuit genoemd (zwart)
Het officiële circuit is dus het witte circuit.
Hoofdstuk 6 Indexcijfers.
Indexcijfer in jaar N = waarde in jaar N / waarde in het basisjaar x 100Voorbeeld berekenen indexcijfer:
Koffie is f 3,40 per pond in 1993, en f 4,20 per pond in 1994.
Stel 1993 in als basisjaar, indexcijfer is hier 100 => 4,2 : 3,4 x 100 = 123,5
Nu heb je de prijsindex voor het jaar 1994 uitgerekend ( procentuele stijging = 123,5 – 100 = 23,5% )
De omzet vaan een bedrijf is een waardegrootheid die bestaat uit een volumecomponent
(de afzet) en een prijscomponent (de verkoopprijs)
berekenen van omzet index:
Omzetindex = afzetindex x prijsindex x 100
Mensen klagen dat alles steeds maar duurder wordt. Ze hebben dan last van een stijging van het prijspeil: er is inflatie.
Het CPI (consumenten prijsindex) is een gewogen gemiddelde prijsindexcijfer.
De veranderingen in het bestedingsgedrag moeten leiden tot veranderingen in de wegingsfactoren; het CBS herhaalt daarom haar budgetonderzoeken elke 5 jaar.
Er zijn 3 redenen waarom de bestedingen...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



