Migratie en mobiliteit
Geplaatst op Woensdag 08 januari 2003
§1: Mobiliteit
- mobiliteit =
- alle vormen van verplaatsingen van mensen
- migratie =
- verplaatsing van personen over een bepaalde grens met het doel zich permanent te vestigen in een nieuwe woonplaats (meestal bestuurlijke grens)
- circulatie =
- wederkerige bewegingen in een relatief kort tijdsbestek
§2: Migratie
3 wetmatigheden die toepasbaar zijn op iedere vorm van migratie:- afstandsverval -> naarmate de afstand toeneemt, wordt het aantal migranten minder
- complementairiteit -> push- en pull factoren:
- fysische oorzaak
- economische oorzaak (werkgelegenheid)
- politieke oorzaak (vluchtelingen)
- sociaal-culturele oorzaak
perceptie = de manier waarop mensen een subjectief beeld vormen
- tussenliggende gelegenheden (intervening oppurtunities) = een migrant gaat niet naar zijn uiteindelijke (ver weggelegen) bestemmingsgebied verhuizen als op kortere afstand de omstandigheden bestaan die aan zijn wensen voldoen.
‘zwaartekracht-model’= tussen 2 gebieden met veel inwoners treedt meer migratie op dan twee gebieden met weinig inwoners.
Migratie is selectief:
- mensen uit de steden migreren minder dan mensen van het platteland
- vrouwen migreren meer binnen hun eigen land, mannen meer naar het buitenland.
- De meeste migranten zijn volwassen; families verlaten minder vaak hun moederland
§3: migratiestromen tussen Noord en Zuid
- In de 15e eeuw kwamen vanuit Europa de ontdekkingsreizen op gang. In de eerste plaats zocht men naar nieuwe handelsroutes naar het Midden Oosten. Tegelijkertijd verkende men de kusten van Afrika en Azie en ontdekte Amerika. Door de stichting van kolonien onstond een migratiestroom van Europa naar de kolonien.
- 2 soorten kolonien:
- exploitatiekolonien ( specerijen, zijde, goud, zilver, suiker, rubber, bauxiet en aardolie) gedwongen migratie van slaven
- vestigingskolonien toen er grotere schepen kwamen en de verbindingen met de kolonien beter werden. (Britse kolonien in Noord-Amerika)
- In 1776: de dertien oorspronkelijke britse kolonien vormden samen de USA. De USA vormde het eerste koloniale gebied dat dekoloniseerde.
- Tijdens industriele revolutie -> migratie van Europa naar Amerika
- In de USA hadden de Europeanen aanvankelijk vrije entree.
- Tegenwoordig veel Latijn-Amerikanen naar USA
- Vanaf 1960 omgedraaide stroomrichting migratie (namelijk van de kolonien naar Europa)
- 1e stroom: regelrechte gevolg van dekolonisatie
1950-1970: veel kolonien zelfstandig -> soevereine staten
2 groepen migranten:- repatrianten
- autochtonen die uit angst voor politieke en economische situatie kozen voor de nationaliteit van het Europese moederland.
- 2e stroom: gevolg van pullfactoren die de economische bloei van (West-) Europa beinvloedde -> gastarbeiders
- 3e stroom: omvangrijke stroom vluchtelingen en asielzoekers tussen de Derde Wereld en de rijke landen en in de rijke landen zelf.
§4: vluchtelingen en asielzoekers
- ook migratiestromen tussen de ontwikkelingslanden
onderdeling: push- en pullfactoren (poltieke en economische)- 1951 -> bescherming van vluchteling internationaal bevestigd en vastgelegd in het verdrag van Geneve
- asielzoeker = iemand die in een ander land dan het zijne een verzoek indient om erkend te worden als vluchteling.
- De omvang van de vluchtelingenstromen is de laatste decennia enorm gegroeid.
- Verreweg de meeste vluchtelingen bevinden zich in Afrika, daarna zijn Azie en Europa werelddelen met de meeste vluchtelingen.
- Vluchtelingen worden vooral opgevangen door landen in de eigen regio, soms hebben ze niet eens woonruimte, voorzieningen en werk om de enorme aantallen mensen op te vangen.
- Het Noorden heeft pas de laatste 15 jaar op grote schaal te maken met vluchtelingen uit het Zuiden.
- Nederland onderzoek asielzoeker -> redelijk tot goed opgeleid en waren vooral werkzaam in stedelijke beroepen. Wereldwijd meer vrouwen dan mannen op de vlucht. Nederland: 2x zoveel mannen.
- Oplossing probleem miljoenen vluchtelingen:
- opvang en hervestiging in het opvangland
- terugkeer naar land van herkomst
- van belang is ook de arbeidsmigratie tussen de landen van het Zuiden (de nieuwe ‘tijgers’ van Oost-Azie)
§5: migratie binnen een ontwikkelingsland
- het zijn echter niet alleen de allergrootste steden die door de enorme bevolkingsgroei vrijwel onbestuurbaar zijn geworden. Ook de druk op de middelgrote steden is sterk toegenomen.
- Het urbanisatiegraad in de ontwikkelingslanden is relatief laag.
- Urbanisatietempo = sneleheid waarmee de stedelijke bevolking groeit. Men verwacht in het Zuiden een verdere daling voor de komende 30 jaar.
- In 2015 -> Zuiden op de urbanisatiegraad 75% (net als rijke landen), nu al overurbanisatie
- Primate city’s = megasteden (Cairo, Mexico City, Bangkok). Zowel uit het oogpunt van regionale ongelijkheid als dat van ruimtelijke ordening zijn primate city’s ongewenst.
- Stedelijke groei = natuurlijke groei an steden zelf, migratiesaldo en inlijving van kleinere steden
- Hoe verloopt de ruraal-urbane migratie in het Zuiden?
- Pull-factor 1: de hoop en vooruitzicht op een betere baan en beter inkomen
- Pull-factor 2: betere voorzieningen in de stad
- Push-factor: verslechtering leven op het platteland.
- Ruraal-urbane migratie (‘landvlucht’) -> wegvallen aantal tussenliggende hindernissen.
- Vaak getrapte migratie -> (in etappes)
- De trek naar de stad is in hoge mate selectief (meer mannen)
- Ook steeds meer vrouwen, niet meer als ‘passieve migranten’
§6: de trek naar de stad: problemen en oplossingen
- Welke veranderingen doen zich voor in de inrichting an de rurale en urbane ebieden als evolg van de landvlucht?
- relatief veel vrouwen
- vergrijzing
Door geldovermakingen an migranten kan de welvaart in een bepaald gebied (tijdelijk) toenemen.
- Omvangrijke trek naar steden -> vraag woonruimte -> krottenwijken -> slums
- Bedreiging cityvorming -> huiseigenaren verkopen hun grond / panden aan projectontwikkelaars. Huurders worden eruit gezet -> ze gaan naar andere delen van de stad.
- Grond waarvan het vermoeden bestaat dat er niet mee wordt gedaan, wordt ‘gekraakt’ en volgebouwd met hutjes (squattertown)
- 3 deling perifere wijk: (krottenwijk aan de rand van de stad)
- oude vervallen wijken in het centrum van de stad, met huizen waarin meerdere gezinnen of migranten wonen
- voormalige squattertowns die vroeger aan de rand stonden, maar door uitbreiding van de stad en allerlei verbeteringen die de bewoners hebben uitgevoerd, qua ligging en uiterlijk steeds meer gewonen wijken zijn geworden.
- Squattertowns van pas gebouwde krotten aan de rand van de stad, vaak per gezin een woning.
- Kenmerkend voor deze wijken is het schrijnend gebrek aan voorziening zoals een waterleiding, riolering, elektriciteit, bestratingen vuilverwerking.
- 2 sporen oplossingen voor de urbanisatie:
- spoor 1: verminderen van de ruraal-urbane migratie en de stedelijke natuurlijke groei -> bevolkingsbeleid
- spoor 2: de overheid moet voorwaarden scheppen waaronder de mensen de gelegenheid krijgen zichzelf te helpen.
- Slum-improvement/ slum-upgrading: als bewoners van krottenwijken met toestemming van de overheid ergensvast mogen blijven wonen en hun woningen gaan verbeteren.
- Site-and-services-project = kavels voorzien van aansluitpunten voor drinkwater, riolering en elektriciteit. Met eigen middelen kunnen de kopers daar een huis omheen bouwen.
§7: de periode 1945-1980: compartimentering in Europa
- Compartimenten = gebieden die op basis van bepaalde eigenschappen zijn afgebakend en daardoor minder toegankelijk worden voor mensen, goederen of invloeden van buitenaf.
- Na WOII moesten de oude Europese wereldmachten hun macht afstaan aan VS en Sovjetunie. Na 1945 trad er echter een verslechtering op in hun onderlinge verstandhouding (VS en Sovjetunie)
- In Europa heeft de machtshonger van beide staten geleid tot het ontstaan van politiek-economische compartimenten: de Bondsrepubliek Duitsland (Amerikaanse, Britse en Franse zones) en Duitse Democratische Republiek (Sovjetunie zone)
- BRD migratiestromen uit DDR en oostbloklanden waar liberalisatiepogingen tot niets uitgelopen waren.
- In andere delen van de wereld probeerden de grootmachten hun invloed uit te breiden door in te spelen op het streven naar onafhankelijkheid in vele kolonien -> ’50, ’60, ’70 -> dekolonisatie -> uittocht van Europeanen (repatriëring)
- ’50 en ’60 wederopbouw Noord- en West-Europa-> industrialisatie (ook EEG) -> verdere welvaartsontwikkeling -> groeiende vraag naar arbeidskrachten. In West-Europa was het aanbod van werknemers – mede doordat het opleidingsniveau is toegenomen – hiervoor te gering. -> migratiestroom (vooral uit Mediterrane noordkust)
- afname migratie ’70 uit Zuid-Europa:
- sterke economische opleving daar
- daling bevolkinsgroei
4 stadia arbeidsmigratie:- migranten uit meer geubraniseerde...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



