Micro economie
Geplaatst op Maandag 07 mei 2001
MICRO
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
|
¨
|
Micro-economie: de problemen van een consument, van ondernemer of de
|
|
|
problemen
met betrekking tot een bepaald product
|
HOOFDSTUK 2 DE CONSUMENTEN
2.1 CONSUMPTIE
= in de dagelijkse omgangstaal iets gebruiken, verbruiken
|
¨
|
vrije goederen: goederen die niet schaars zijn en dus geen prijs hebben
(lucht)
|
|
¨
|
(Economische) consumptie: het kopen of aanschaffen van goederen en diensten
|
|
|
voor de behoeftenbevrediging, met de bedoeling daar verder niet mee te
produceren
|
|
¨
|
Investeren: het kopen door ondernemingen met als doel er verder mee te
|
|
|
produceren
om een inkomen te verwerven
|
2.1 CONSUMENTENVRIJHEID
|
¨
|
Consumentensoevereiniteit: de consumenten zijn zo vrij in hun keuze wat
ze
|
|
|
kopen,
dat zij bepalen wat er geproduceerd wordt.
|
2.2.1 De economische orde
|
¨
|
prijsmechanisme: producenten en consumenten bereiken samen een
|
|
|
evenwichtige
prijs voor de producten (P=V P=V)
|
|
¨
|
volledige concurrentie prijsmechanisme werkt optimaal
|
|
¨
|
maximale behoeftenbevrediging: consumenten kennen hun behoeften en
|
|
|
willen
met hun beschikbare middelen deze
|
|
¨
|
Het kennen van je behoeften is van het volgende afhankelijk:
|
1)
Het feit of het product bestaat
2)
De omgeving beïnvloedt je behoeften
3)
Het normen- en waardenpatroon
2.2.2 Marketing
=de kennis van de instrumenten om een product op de markt te brengen en
te begeleiden met als uiteindelijk doel de verkoop van het product te
realiseren
|
¨
|
Hiervoor zijn 5 instrumenten
|
|
|
1. de productontwikkeling= nieuwe/ oude producten beter verkoopbaar
maken
|
|
|
2. de reclame (collectiece reclame= voor 1 product door alle producenten
samen)
|
|
|
3. de prijs (te laag= product is niks, te hoog= geen breed publiek)
|
4.
de distributie= hoe breng je het product aan de man
5.
de verpakking= het moet tot de verbeelding van de consument spreken
2.2.3 Het overheidsingrijpen
|
¨
|
Niet alleen worden de liquide middelen aangtast (door belasting e.d.)
maar collectieve goederen: zoals defensie, recht: niet per individu
leverbaar
|
|
|
worden ook dwingend opgelegd
|
|
¨
|
Consumptiegoederen met negatieve externe worden door de overheid
afgeremd door accijns.
|
|
|
Goederen met positieve externe effecten worden gesubsidieerd.
|
|
¨
|
Prijzenwet: maximunprijzen om de consument te beschermen.
|
2.3 MACRO-ECONOMISCHE INVLOEDEN
Het CBS onderzoekt elke maand hoeveel vertrouwen het volk in de economie
heeft. Voor veel consumenten is het wel of niet kopen van producten afhankelijk
van de conjunctuur.
HOOFDSTUK 3 DE MODELCONSUMENT
3.1 INLEIDING
Wat de consument
wil cosumeren, hangt af van zijn
behoefte.
Wat de consument
kan produceren, hangt af van het
inkomen
+ de
prijzen
3.2 DE MODELCONSUMENT
|
¨
|
In het model wordt verondersteld dat de prijs autonoom is, alleen de hoeveelheid
kan de producent aanpassen = Hoeveelheidsaanpasser
|
|
¨
|
Budgetvergelijking: hoeveel x- en z-goederen een consument kan kopen bij
|
|
|
een
y-inkomen en gegeven prijzen
|
|
|
Budgetlijn= grafische voorstelling hiervan: wat de consument kan
kopen
|
3.2.1 Veranderingen in wat de consument wil
|
¨
|
Een verandering in de behoefte leidt tot een verschuiving op de
budgetlijn.
|
3.2.2 Veranderingen in wat de consument kan
|
¨
|
Een verandering in het inkomen of de prijzen leidt in de grafiek dus altijd
tot een verschuiving van de budgetlijn.
|
3.3 FACTOREN DIE DE VRAAG BEÏNVLOEDEN
|
¨
|
De vraag naar een product door een individu is afhankelijk van 4 factoren:
|
|
|
1. de prijs van het product
|
|
|
2. de prijs van een ander product
|
|
|
4. de behoeften van de consument
|
|
¨
|
Ceteris Paribus: het constant veronderstellen van variabelen.
|
|
|
Dus:
wanneer alle overige variabelen gelijk blijven
|
3.3.1 Het verband tusen de vraag en de prijs van een product
|
¨
|
Prijselasticiteit van de vraag: effect van de pijsveranderingen op de
vraag
|
|
|
<1
of <-1 = inelastische vraag ( eerste levensbehoeften)
|
|
|
>1
of > -1 = elastische vraag ( luxe goederen)
|
|
|
Segmentelasticiteit (2 punten op de grafiek)
|
% verandering in de vraag = x 100% dus: vraag
|
|
% verandering in de prijs = Px
|
Px oud
|
¨
|
Puntelasticiteit (1 punt op de grafiek)
|
|
|
DX Px dus: afgeleide x prijs
|
|
¨
|
Giffen-paradox: positief verband tussen de prijs en de vraag (bv. aardappelen)
|
3.3.2. Het verband tussen de vraag en de prijs van andere produkten
|
¨
|
Kruis-prijselasticiteit van de vraag: effect op de vraag van product x
bij een
|
|
|
prijsstijging
van product z
|
|
¨
|
Substitutiegoederen: goederen die elkaar kunnen vervangen (bv. versch.
merken)
|
|
|
Complementaire goederen: goederen die elkaar anvullen (bv. shag + vloei)
|
3.3.3 Het verband tussen de vraag en het...

Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.