Adverteren via Roadside
LoginnaamWachtwoord
Woordenlijst Nederlands - Frans
Geplaatst op Zaterdag 04 augustus 2001


sappig, smakelijk succulent
streek, kuur une frasque
doortrokken van, vol met imbu de
bekrachtigen ratifier
een miskraam hebben FAIRE une fausse couche
bevallen accoucher
proefbuisbaby un bébé-éprouvette
I.V.G. Interuption Volontaire de Grossesse
F.I.V. Fécondation In Vitro
verloskundige un obstétricien
zuigeling nourrison
borstvoeding geven l'allaitement
bevalling un accouchement
een keizersnede toepassen PRATIQUER une césarienne
vroedvrouw une sage-femme
ze is 3 maanden zwanger elle est enceinte DE 3 mois
sperma sperme
gat in de markt un créneau
hij is bijna 30 jaar il frise la trentaine /les trente ans
persoon tss. 30-40 un trentenaire
40-50 un quadragénaire
50-60 un quadragénaire
60-70 un sexagénaire
70-80 un septuagénaire
80-90 un octogénaire
nieuwbekeerde un néophyte
onbezonnen jeugdstreek  une fredaine
jonge groenten des primeurs
volgens de jongste berichten selon les dernières nouvelles
nog maar eens aantonen montrer une fois de plus
hij is 2 jaar jonger dan ik il a 2 ans de moins que moi
rokkenjager un coureur de jupons
huwbare leeftijd l'âge nubile
tang (rotwijf) une mégère
weelderig (lichaam) plantureux
verwijfd efféminé
mollig (2) boulot(te) / dodu(e)
samenlevingscontract un contrat de concubinage
moordgriet (2) une nana / une gonzesse
vrouwenhater un misogyne
meisje van lichte zeden une cocotte
een schoolmeesterachtig iemand un bas-bleu
aantrekkelijkheid l'attrait
uitgehuwelijkt worden être mariée par son père
huwelijksschat LA dot
huisvrouw une femme au foyer
draagmoeder une mère porteuse
de top (van de zakenwereld) la/les sommité/s
een zeker iemand un quidam
ik heb volk vanavond j’ai du monde ce soir
 high society (2) la haute société, le grand monde
kleine kindjes le petit monde
GENS ne peut être déteminé par un adjectif numéral, 
sauf lorsque gens est accompagné d'un adjectif
qui forme avec lui une locution nominale
         Ýle mot gens es masculin.  Mais lorsqu'il est immédiatement précédé d!un adjectif dont la forme féminine diffère de la forme masculine - si cependant le nom n'est pas suivi d!un complément désignant un état, une profession, une qualité - cet adjectif et tous ceux qui le précèdent en formant une même unité se mettent au féminin.  Quant au pronom personnel, il se met toujours au masculin, même s'il précède.
besturen/toedienen/bedienen/laten innemen administrer
kuis (rein) chaste
ontmaagden (2) déflorer / dépuceler
onthouding (seksueel) la continence
maagd (&) une pucelle, un puceau
obsceen (3) obscène, impudique, indécent
nageslacht (3) la progéniture, la descendance, la postérité
vleselijke liefde  l'amour charnel
van het mannelijk geslacht DE sexe masculin
sexuologie sexologie
geslachtsorgaan un organe génital
het lang leven, de hoge ouderdom la longévité
de toevalligheden van het leven les aléas de la vie
levensstijl le train de vie
stimulerend vivifiant
levensvatbaar viable
leefbaar vivable
levendig, krachtig vivace
overlevende (2) un survivant, un rescapé
levensverwachting une espérance de vie
levensverzekering une assurance-vie
levenskunst l'art de vivre
wellevendheid le savoir-vivre
gokker  un joueur
bezwijken aan succomber à
verassen incinérer
tot levenslang veroordeeld condamné à perpétuité
het overlijden le décès
aankondiging van de overlijdens (krant) la nécrologie
mishandeling des sévices
zich dood houden faire le mort
het stoffelijk overschot la dépouille mortelle
lijkdrager un croque-mort
sterven (pop.) claquer
er weer bovenop komen se rétablir
iets uitstralen dégager qqch
zich (x) gedragen avoir un comportement (x)
soeplepel une louche
het koken le cuisson
schijfje citroen un zeste de citron
eierschaal une coque
giftig vénéneux
eetbaar (niet giftig) comestible
te eten mangeable
diëtist un diététicien
walgelijk (2) écoeurant / infect(e)
vegetariër un végétarien (zowel als!)
grazen brouter
schuimspaan une écumoire
lichtverteerbaar digestible
overvloedig copieux
pikken (kip) picorer
mesthoop un fumier
bevoorraden (troepen) ravitailler
bevoorraden (vb.dorp) approvisionner
veevoer le fourrage
eetwaren des denrées alimentaires
voeden (2) alimenter, nourrir
insecteneter insectivore
"fruiteter" frugivore
wormeneter vernivore
vetstoffen des matières grasses
met mate avec modération
massaal gebruik utilisation massive
slokop (2) un glouton, un goinfre
eierdooier un jaune d'oeuf
een eetlepel water une cuillerée à soupe d'eau
kurk opsteken boucher
een gat opvullen boucher un trou
iets/iemand nutteloos un bouhe-trou
verstoppen (neus) boucher
lekkerbek  une fine bouche
gorgelen (3) se gargariser, se rincer l’arrière-bouche/la
gorge
mond-op-mond-beademing toepassen FAIRE/PRATIQUER la bouche-à-bouche
knapperig croustillant
zure smaak (2) un goût acide/aigre
smakeloos (2) fade, insipide
bitterheid (smaak) l'amertume
zuurheid (smaak) l'aigreur
bederven (overtijd geraken) s'altérer
even zoet aussi sucré
drinkbaar (niet gevaarlijk) potable
te drinken buvable
overgieten arroser
a/d =de fles drinken boire au goulot
in staat van dronkenschap en état d'ébriété
zuipen picoler
uit een glas drinken boire DANS un verre
uit een glas drinken boire DANS un verre
zoveel drinken als men wil  boire à sa soif
kleine slokjes nemen boire à petits coups
kroegloper un pillier de café
klinken op  trinquer à
krijgen, oplopen (straf) trinquer
een toast uitbrengen op boire en l'honneur de
drinklied une chanson A boire
deze wijn mag gedronken worden  ce vin se laisse boire
met kleine teugen drinken siroter
gezond (in goede gezondh./die bijdraagt sain
tot de gezondheid)
gezond (die een gunstig effect heeft op  salubre
het organisme)
herstellen, beter worden se refaire une santé
FAIBLE qui manque de force, n'est pas en état de résister (pays, armée), manque de capacité (élève), est sans valeur, a peu d'intensité (lumière, vent), la partie faible d'une personne/chose
FRAGILE qui se casse/détériore facilement, qui est facile 
à ébranler
aftakelende gezondheid une santé qui se détériore
niertransplantatie une greffe rénale
ziekteverlof un congé de convalescence
roken schaadt de gezondheid fumer nuit à la santé
zorg ervoor dat het morgen gedaan is veille à ce que ce soit fait pour demain
een hospitalisatieverzekering afsluiten contracter un assurance hospitalisation
LE MARTYR l'homme qui souffre
LA MARTYRE la femme qui souffre
LE MARTYRE                                           le fait de souffrir
verduren endurer
het is reglement is niet vatbaar voor discussie le règlement ne souffre pas de discussions
helse pijnen des souffrances atroces
hij lijdt aan maagkanker il souffre D'UN cancer DE L'estomac
slaapwandelen être somnambule
slaapmiddel un somnifère
diepe slaap un sommeil de plomb
geeuwen bâiller
HIBERNER passer l'hiver dans un état d'engourdissement
HIVERNER passer l'hiver dans un endroit tempéré
insluimeren assoupir
slaperig, slaapdronken somnolent (subst: la somnolence)
zandmannetje le marchand de sable
hij is in slaap gedompeld il est plongé en sommeil
een dutje un roupillon
verdoving, verstijving la torpeur
knikkebollen dodeliner, branler la tête
ogen heen en weer bewegen papilloter
comatoestand un état comateux
HIBERNAL sommeil hibernal de certains animaux
HIVERNAL winters (vb. temperatuur)
slaapverwekkend, zeer vervelend soporifique
afgemat, doodmoe éreinté
vervelend...







Reacties

Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.