Practische economie, VWO totaalvak - module 2 hoofdstuk 2 en module 3
Geplaatst op Maandag 15 maart 2004
Hoofdstuk 2 Kosten, opbrengsten en winst
1 De productiefunctie
De productiefunctie geeft het verband weer tussen de gebruikte hoeveelheden productiemiddelen en de omvang van de productie. Het is een technische functie. Productiemiddelen = productiefactoren.Productiefunctie: q=f(A,K)
Q = hoeveelheid producten
A = hoeveelheid arbeid
K = hoeveelheid kapitaal
Korte-termijnsituatie: situatie waarin een deel van de productiefactoren niet kan worden gevarieerd
Als kapitaalgoederenvoorraad K is gegeven, is er dus alleen een verband tussen de productie-omvang en de arbeiders:
Q = 5A (max. q=30)
Lange-termijnsituatie : situatie waarin alle productiefactoren kunnen worden gevarieerd.
2 Constante kosten en variabele kosten
Kosten zijn alle noodzakelijke offers wil een ondernemer goederen kunnen produceren. Er is sprake van constante kosten en variabele kosten.Constante kosten: kosten die niet veranderen bij een verandering van productieomvang (huur van het pand, loon etc.)
Variabele kosten: kosten die veranderen bij een verandering van productieomvang (inkoopkosten dranken/maaltijden etc.)
Proportioneel variabele kosten: de kosten veranderen recht evenredig met de productieomvang
Totale kosten: de constante kosten en de variabele kosten samen
Break-evenpoint: geeft de productieomvang (afzet) weer waarbij er geen winst of verlies wordt geleden: onderneming speelt quitte.
TK (totale kosten), TO (totale omzet) en TW (totale winst) kunnen bij de verschillende productieniveaus op 3 manieren inzichtelijk worden gemaakt:
- tabel (blz 59)
- grafiek (blz 59)
- wiskundige vergelijking, bijv. TK = 3q + 9.000
TO = 7,5 q
Break-evenpoint: TO=TK
Dus: 7,5q = 3q + 9000, reken uit
De ondernemer die streeft naar maximale winst, breidt zijn productie uit tot de grens van zijn productiecapaciteit. Hij moet er daarbij op letten dat de verkoopprijs hoger is dan de variabele kosten per eenheid product.
Door de berekening van de gemiddelde kosten bij de verschillende productieniveaus kun je ook het break-evenpoint bepalen. GCK (gemiddelde constante kosten) = (TCK/q) enz.
De gemiddelde constante kosten worden lager naarmate de productieomvang groter is. De gemiddelde totale kosten kunnen worden berekend door optelling van de gemiddelde constante kosten en de gemiddelde variabele kosten bij de verschillende productieniveaus. De winst per product (GW)i s het verschil tussen de gemiddelde opbrengst (GO) en de gemiddelde totale kosten. Het break-evenpoint vinden we nu waar GO = GTK of GW = 0.
3 Productievergroting bij gegeven capaciteit
Om meer winst te maken moet een bedrijf meer arbeiders in dienst nemen, maar deze moeten zich wel terugverdienen en de bedrijfswinst vergroten. Daarom afvragen:- Wat zijn de verwachte extra opbrengsten door een nieuwe arbeidskracht?
- Wat zijn de verwachte extra kosten door een nieuwe arbeidskracht?
Primaire arbeidsvoorwaarden: afspraken over de geldelijke beloning en de wijze van betaling (bijv. 1 x per maand)
Secundaire arbeidsvoorwaarden: de niet-geldelijke afspraken, zoals werktijden, pauzes, werkomstandigheden etc.
(Tertiaire arbeidsvoorwaarden: inspraak en medezeggenschap van de werknemers)
Er is sprake van een individuele arbeidsovereenkomst, waarin aanvullende afspraken kunnen worden gemaakt. Een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) zijn arbeidsvoorwaarden die voor alle werknemers gelden.
Loonsverhoging:
- incidentele loonsverhoging (voor een individuele werknemer)
- prijscompensatie (als de prijs van consumptiegoederen is gestegen, inflatie. De koopkracht blijft dus hetzelfde)
- initiële loonsstijging (reële loonsstijging, loon bovenop de prijscompensatie waardoor de koopkracht van de werknemers toeneemt).
Interne arbeidsverdeling: specialisatie binnen een organisatie
Externe arbeidsverdeling: bedrijven zelf die gaan specialiseren
Regionale arbeidsverdeling: regio/land gaat zich specialiseren
- positief gevolg: arbeidsproductiviteit groter en bevorderlijk voor de internationale handel
- negatief gevolg: mensen/landen worden kwetsbaarder, stel dat er op een dag geen behoefte meer is aan dat specialisme?
4 De lange termijn: schaalvergroting
Productiviteit stijgt voortdurend door innovatie: toegepaste vernieuwingen van producten of productieprocessen.Investeren: het aanschaffen van nieuwe kapitaalgoederen
- breedte investeringen ? verhouding arbeid – kapitaal blijft gelijk
- diepte investeringen ? verandert de verhouding arbeid – kapitaal ten gunste van kapitaal, stijging kapitaalintensiteit
Schaalvergroting:
- nieuwe machines
- fuseren (fusie = het samengaan van voorheen zelfstandige ondernemingen) fusie is bij even grote bedrijven, overname is als het ene bedrijf veel groter is.
- de uitbreiding kan gefinancierd worden doordat een grotere onderneming de mogelijkheid heeft een groot vermogen aan te trekken door bijv. nieuwe aandelen
- meer interne specialisatie mogelijk waardoor de productiviteit stijgt
- kosten nieuw aangeschafte machines relatief laag, doordat zij bij deze bedrijfsgrootte beter kunnen worden benut
- kortingen kunnen worden gekregen op grondstoffen omdat ze meer grondstoffen aanschaffen. De onderneming kan ook zelf grondstoffen gaan produceren
- beter gebruik van de afzetmarkten door wegvalling Europese grenzen, maar wel meer concurrentie van buitenlandse bedrijven
- grote afstand eigenaren, leiding en uitvoerend personeel die hun eigen belangen zullen nastreven
- groter administratief apparaat, meer verplichtingen tegenover arbeidsrecht en milieu wat extra kosten veroorzaakt
5 Extra: Niet-proportioneel variabele kosten
Proportioneel variabele kosten: bij een toeneming van de productie-omvang nemen ze rechtevenredig toe.Degressief variabele kosten: kosten die bij toeneming van de productie-omvang minder dan evenredig toenemen. Een mogelijke oorzaak is dat de onderneming korting krijg bij de inkoop van grotere hoeveelheden grondstoffen.
Progressief variabele kosten: kosten die bij toeneming van de productie-omvang meer dan evenredig stijgen. Een mogelijke oorzaak is dat de onderneming die op korte termijn bij een bep. productiecapaciteit de productie wil vergroten, personeel meot laten overwerken tegen hogere beloning, machines harder moet laten draaien, wat veel energie kost enz.
Een kleine onderneming die de productie vergroot, profiteert meestal van de kortingen. Als ze de productie nog meer vergroten, stijgen de kosten door overwerktoeslagen e.d.
Meestal geldt TO = p x q, de omzet neemt rechtevenredig toe met een vaste prijs. Een ondernemer die streeft naar maximale winst, neemt natuurlijk het productieniveau waar het verschil tussen TO en TK het grootst is. Om te kunnen bepalen of het zinvol is het productieniveau te vergroten, bepaalt de ondernemer zijn marginale opbrengst en de marginale kosten bij de hoeveelheidsverandering.
Marginale opbrengst (MO): de extra opbrengst van een extra product (bij constante verkoopprijzen p geldt dat MO gelijk is aan p.
Marginale kosten (MK): de extra kosten voor de productie en verkoop van een extra product
Marginale winst (MW): de extra winst door de productie en verkoop van een extra product
De totale winst is maximaal als MO gelijk is aan MK, dan is de marginale winst 0.
Zolang een producent een marginale winst heeft, zal hij de productie-omvang vergroten.
De vergroting van de productie-omvang met 1 eenheid van q1 naar q2 noemen we ?q. Hetzelfde: de totale kosten nemen toe met ?TK van TK1 naar TK2. Differentiële kosten is de verhouding tussen deze veranderingen, ?TK/?q. De MK vinden we als de limiet van de differentiële kosten. MK is de limiet van ?TK/?q = dTK/dq als ?q nadert 0.
Het differentiaalquotiënt dTK/dq laat zien dat we de marginale kosten vinden als we de totale kosten naar de afzet differentiëren. De marginale kosten vormen de eerste afgeleide van de totale kosten en laat zien hoe de totale-kostenfunctie verandert bij variatie van de productie-omvang:
TK = 1/12q³ - q² + 5q + 5
dan volgt :
MK = dTK/dq (ook wel als TK’) geschreven
Waaruit volgt:
MK = ¼q² - 2q + 5
De aanbodlijn is een verzameling aangeboden hoeveelheden bij uiteenlopende prijzen.
Hij blijkt gelijk te zijn aan de marginale-kostenlijn voorzover deze boven de GVK-kromme ligt. Bij een verkoopprijs die onder de variabele-kosten per eenheid ligt, stopt de producent de productie, omdat hij dan geen winst maakt. De individuele-aanbodlijn verschuift dus als de marginale-kostenlijn verschuift. Als de MK-lijn hoger komt te liggen, zal de aanbodlijn naar links verschuiven (dus als de kosten groter worden, komt er minder aanbod).
Module 3 hoofdstuk 1 : De Markt
1 Wat is een markt?
Concrete markt: het geheel van vraag en aanbod op een tastbare ontmoetingsplaats (veiling)Abstracte markt: het geheel van vraag en aanbond naar een goed (geen concrete, tastbare ontmoetingsplaats)
2 Aanbod en aangeboden hoeveelheid
Bij een hogere prijs bieden producenten meer aan, aangelokt door hogere winsten. Dan kunnen ze ook overwerktoeslagen betalen. Om bij een lagere prijs meer aan te bieden is niet lonend.Verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid
- met een tabel
- met een...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



