J.S. Bach
Geplaatst op Dinsdag 09 januari 2001
Bach, familienaam van een Duits geslacht van musici dat bijna anderhalve eeuw werkzaam was in Midden-Duitsland, vnl. in Thüringen. In kleine en grote plaatsen waren leden van het geslacht als stadsmuzikanten of organisten werkzaam. Over de oorsprong van het geslacht bestaat geen zekerheid; de ca. 1520 geboren Hans Bach wordt thans als oudst bekende telg beschouwd. Deze had twee zoons, Veit en Caspar. Volgens sommigen is Veit Bach de oudste authentieke vertegenwoordiger van het geslacht. Hij was weliswaar molenaar en bakker, maar beoefende de muziek uit liefhebberij. Veit (Weimar ca. 1550–8 maart 1619) emigreerde om religieuze redenen naar Hongarije, maar keerde later naar Thüringen terug. Zijn broer Caspar (ca. 1620–1640) was reeds vakmusicus. Veit had een zoon Johannes, later Hans genoemd (waaruit de verwisseling met de oudste Hans Bach is voortgekomen). Hans Bach II (gest. Weimar 1626) was een leerling van zijn oom Caspar. Ook hij had bakker moeten worden, maar hij was als musicus en tapijtknoper werkzaam. Hans II had drie zoons, die de stamvaders van de drie hoofdlijnen van het geslacht werden. Johann (Weimar 26 nov. 1604 – Erfurt 13 mei 1673) was de stamvader van de Erfurter tak, Heinrich (Weimar 16 sept. 1615 – Arnstadt 10 juli 1692), organist te Arnstadt, stichter van de Arnstadtse linie en vader van Johann Sebastian Bachs oom Johann Christoph I en Johann Michaël, en tenslotte Christoph (Weimar 10 april 1613 – Arnstadt 12 sept. 1661), de grootvader van Johann Sebastian. Johann Ambrosius (Eisenach 22 febr. 1645 – eind jan. 1695) was raadsmusicus in Eisenach en de vader van Johann Sebastian.
De Bachs vormden deze wijdvertakte maar sterk aan elkaar gehechte familie, die grote, gezellige bijeenkomsten organiseerde waarbij de muziek een vooraanstaande plaats innam. De familie had in Johann Sebastian in muzikaal opzicht een genie en bracht in drie zoons van hem nog grote talenten voort, maar hun muzikaliteit raakte in de loop der 19de eeuw geheel uitgeput. Tegenwoordig zijn er haast geen afstammelingen meer te vinden en lijkt de muzikale potentie geheel uitgeblust.
Johann Sebastian
(Eisenach 21 maart 1685 – Leipzig 28 juli 1750), componist en organist, kreeg mogelijk enig muzikaal onderricht van zijn oudere broer Johann Christoph, organist in Ohrdruf, waarheen Bach was verhuisd na de dood van zijn vader in 1695. In 1700 kreeg hij een plaats in het internaat van de St.-Michaelisschool in Lüneburg. Over zijn muzikale vorming hier zijn geen betrouwbare gegevens bekend. Dat hij orgellessen zou hebben gekregen van Georg Böhm, organist van de Johanniskerk, is niet meer dan een vermoeden. Vanuit Lüneburg maakte Bach enkele reizen naar de nabijgelegen muziekcentra Hamburg en Celle. In Hamburg kwam hij in contact met de organist Johann Adam Reinken; in Celle leerde hij door de toen beroemde, geheel Frans georiënteerde hofkapel van hertog Georg Wilhelm de Franse instrumentale muziek kennen. In 1703 verbleef hij enkele maanden als violist en hulporganist aan het hof in Weimar, maar reeds in hetzelfde jaar werd hij uitgenodigd organist te worden van de Bonifatiuskerk in Arnstadt. Hoewel de 18-jarige Bach dus een zeer goed organist moet zijn geweest, is het tot op heden niet opgehelderd hoe hij dat is geworden. In de vier jaren die hij in Arnstadt doorbracht, had hij de gelegenheid zich als organist verder te profileren. Bovendien schijnt hij zich hier tevens als componist te hebben ontwikkeld, voor zover bekend geheel autodidactisch. Hij kwam in conflict met de kerkenraad door zijn eigenmachtige verlenging van het verlof dat hem in de winter van 1705–1706 was verleend om het orgelspel van de in Lübeck werkende Buxtehude te leren kennen. Ook maakte de raad bezwaar tegen zijn lange tussenspelen in de dienst en zijn gewaagde chromatische koraalharmonisaties.
In 1707 werd Bach organist aan de Blasiuskerk in Mühlhausen. In datzelfde jaar huwde hij met zijn nicht Maria Barbara Bach, die moeder zou worden van de later beroemde zonen Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel. In Mühlhausen zette hij zich met name in voor de uitvoering van vocaal-instrumentale kerkmuziek. De eerste met zekerheid te dateren cantates – een vijftal is bewaard gebleven – zijn hier gecomponeerd. Ongunstige omstandigheden – van welke aard deze waren is niet bekend – verhinderden Bach de realisatie van een ‘regulirte kirchen music’, dwz. van regelmatige uitvoeringen van cantates. Deze omstandigheden waren er waarschijnlijk de oorzaak van dat hij reeds een jaar na zijn benoeming zijn ontslag nam (Dat de theologische controverse tussen de lutheraanse orthodoxie en het piëtisme hierbij een rol zou hebben gespeeld, is...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

