Adverteren via Roadside
LoginnaamWachtwoord
Nectar 2.1, hoofdstuk 1, 2
Geplaatst op Woensdag 12 maart 2003


Hoofdstuk 1

Individuen van een soort hebben meer gelijke eigenschappen gemeen dan met andere individuen. Er zijn 4 rijken in het hiërarchische systeem: Deze hebben allemaal overeenkomstige celstructuren.
Soort:
individuen zijn van hetzelfde soort wanneer ze samen vruchtbare jongen krijgen
Populatie of voortplantingsgroep:
vertegenwoordigers van een soort in een bepaald gebied.
Rassen (variëteiten):
individuen met een homozygoot verschil in erfelijke aanleg
Een soort is een groep organismen met gemeenschappelijke kenmerken die vruchtbare nakomelingen (kunnen) krijgen. Organismen van dezelfde soort die in een bepaald gebeid leven, vormen een populatie.
Evolutie:
variatie in erfelijke eigenschappen binnen een soort en het doorgeven van de meest gunstige hiervan zorgt voor evolutie.
Adaptie:
je als soort aanpassen aan de heersende omgevingsomstandigheden
Geografisch gescheiden:
door afstand niet meer kunnen paren
Isolatie in tijd:
door verschillende bloeiperiodes niet meer paren
Deze twee isolaties kunnen voor genotypische verschillen zorgen, heeft dat betrekking op het voortplanten, dan ontstaat er seksuele isolatie
Abiotische factoren:
temperatuur, vochtigheid, zuurgraad
Soortvorming:
gebeurt dus door adaptie aan abiotische factoren en seksuele isolatie
Biotische factoren:
vachtkleur
Predatoren:
dieren die prooi vangen en opeten
Interspecifieke relatie:
relatie tussen bepaalde soorten
Interspecifieke competitie:
competitie tussen bepaalde soorten (bijv. om schuilplaatsen)
Intraspecifieke relatie:
natuurlijke selectie binnen een soort, ten gunste van en bepaald type.
Selectiedruk:
de intensiteit waarmee het milieu een bepaald fenotype elimineert. Het gen komt dan steeds minder en minder voor. Dit wordt bepaald door abiotische en biotische factoren.
Beperkende factor:
elke factor die als enige het gedrag van een organisme of de werking van een systeem beïnvloedt door boven of onder een bepaald niveau aanwezig te zijn, factor die het minst gunstig is.
Mutualisme:
nauwe relatie tussen twee of meer soorten die voor iedere betrokken soort voordelig is.
Parasitisme:
samenlevingsvorm van twee organismen waarbij de een voordeel (parasiet) heeft ten koste van de ander (gastheer).
Commensalisme:
heeft een soort voordeel van de ander, terwijl het voor die ander niets uitmaakt.
Co-evolutie:
versterkt een speciale interspecifieke relatie.
Symbiose:
elke nauwe relatie tussen twee of meer organismen.
Biotoop:
de...


[ Log in of registreer gratis om dit hele document te bekijken ]





Reacties
[post reply]

Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

Win

Laatst bekeken...
21:54  The picture of Dorian Gray va...
21:54  Kreuzersonate van Moor, Margr...
21:54  La planete des singes van Bou...
21:54  Junior
21:54  De kleine blonde dood van Buc...
21:54  Charlie and the chocolate fac...
21:54  De meisjes van de suikerwerkf...
21:54  Popocatepetl komt tot leven
21:54  De spaansche Brabander van Br...
21:54  Blessurepreventie


Forum Scholierennet.com
Boeken nodig
Resetten zonder programmas kwijt t...
Middenjury Kantoor
Evantail voor middelbaar
Ervaring met economische wetenscha...
Internationaal jongeren filmfestival
WISKUNDE TSO (informatica ed) : Af...
Spreekbeurt muziek
Gameverslaafd
Naam wijzigen