1. Eerste naamval (wie/wat? + gezegde) Der Mann schwimmt.
- Onderwerp
- Naamwoordelijk deel van het gezegde (koppelwerkwoord: sein, werden, bleiben)
- Aangesproken persoon => mannelijk: lieber Robin
vrouwelijk: liebe Angela
2. Tweede naamval
- Bezitsrelatie (van de, van het, van een) Die Kamera meines Vaters.
Der Reifen eines Rades.
- Na voorzetsels met de tweede naamval: statt, während, wegen, trotz, innerhalb, außerhalb
(in plaats van, tijdens, wegens, ondanks, binnen,
buiten)
Bij de tweede naamval mannelijk en onzijdig enkelvoud, komt achter het zelfstandig naamwoord es als het woord eindigt op een "s-klank" (s, z ß, sch). Voorbeeld: des Schatzes => van de schat.
Er moet een s komen als het woord onbeklemtoond eindigt. Voorbeeld: des Vaters =>van de vader.
In alle andere gevallen mag je kiezen tussen es of s.
In de Duitse spreektaal komt vaak de von + 3e naamval voor. In de schrijftaal niet of nauwelijks.
3. Derde naamval (aan/voor voor zelfstandig naamwoord) Der Ober bringt dem Gast die
Speisekarte.
- Meewerkend voorwerp
- Na voorzetsels met de derde naamval (aus, bei, von, mit, nach, zu seit, außer, gegenüber).
4. Vierde naamval (wie/wat wordt er? + gezegde) Andreas ruft den Mann.
- Lijdend voorwerp
- Na voorzetsels met de...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



