Franse revolutie
Geplaatst op Dinsdag 04 maart 2003
De Franse Revolutie - Woordenlijst
- Bourgeoisie = rijke burgers; zij vormden een kleine bovenlaag van de bevolking.
- Code Napoléon = wetgeving van Napoléon
- Constitutie = belangrijke wet van een staat, waarin de rechten van de mens zijn vastgelegd, en de regeringsvorm en de verdeling van de macht staan beschreven.
- Constitutionele monarchie = monarchie waarbij de macht van de koning in een constitutie/grondwet is beperkt. (dus niet alles voor het zeggen heeft)
- Derde Stand: burgers en boeren
- Tweede Stand: de adel
- Derde Stand: de geestelijkheid
- Grondrechten: aan een grondwet ontleende basisrechten van burgers ten opzichte van hun staat
- Grondwet: (zie constitutie)
- Marseillaise: het Franse volkslied
- Mensenrechten : rechten waar ieder mens recht op heeft
- Nationale Vergadering: Het parlement (de derde stand roept zichzelf uit tot Nationale Vergadering)
- Het oude Regime: het bestuur van de Franse koningen uit de 18e eeuw ná de Revolutie. Kenmerken:
- autocratie (macht = van één koning)
- ongelijkheid van mensen (zowel politiek als economisch en sociaal.
- Parlementaire democratie: regeringsvorm waarbij de gehele bevolking in staat is het beleid van de regering te bepalen.
- Radicalen: revolutionairen uit de bourgeoisie die snelle veranderingen willen en hun tegenstanders doden
- Reactionairen: edelen en hoge geestelijken die de hervormingen te ver waren gegaan en tegen de Revolutie waren
- Revolutie: een verandering in de samenleving die in korte tijd plaatsvindt
- Revolutionairen: mensen die een revolutie uitvoeren
- Staten-Generaal: Vergadering van de drie standen onder leiding van de koning
- Terreur: periode van massale executie tijdens de Franse Revolutie
De Franse Revolutie – Samenvatting
Revoluties verlopen in 3 fasen:- bestaande regering wordt verdreven, gematigde hervormers nemen de macht in handen. Ze willen veel veranderen, maar niet te snel en met zo min mogelijk geweld.
- de gematigde leiders kunnen de macht niet in handen houden. Zij worden verdreven door radicale hervormers. Zij willen snel veel veranderen en doden hun tegenstanders.
- door het geweld van de radicalen ontstaat chaos in het land. De kans is dan groot dat een sterke man, bijvoorbeeld een generaal, geholpen door het leger, de macht grijpt.
- Voorrechten van de Geestelijkheid: de geestelijkheid had enkele voorrechten vergeleken met de rest van de bevolking;
- de bevolking kreeg maar 1% van de Franse grond, 10% was van de geestelijkheid.
- de kerk hoefde geen belasting te betalen
- Voorrechten van de adel: ook de adel had voorrechten:
- ±1,5% van de bevolking was van adel. Deze bezat ongeveer 20% van het Franse land.
- edelen hoefden bijna geen belasting te betalen.
- hoge edelen kregen belangrijke taken in de kerk, in het bestuur van het land, en in het leger.
- Klachten van de boeren: de boeren waren ontevreden. Zij wilden meer grond, een eerlijker verdeling van de belastingen, en afschaffingen van verplichtingen aan de adel.
- Klachten van de stedelijke werklieden:
- ze moesten lang en hard werken, en onder ongezonde en onveilige omstandigheden.
- het loon voor hun werken was erg laag. Ze konden niet rondkomen.
- Klachten van de bourgeoisie:
- ze waren ertegen dat de adel beter was dan de bourgeoisie. Ze...
Reactiesyellowcard 11 mei 2008 @ 12:38 uur bij de woordenlijst moet de twee Derde Stand vernaderd worden in Eerste stand =)
de rest ga ik nu lezen =Dkeeltje 01 april 2004 @ 15:31 uur Wel handig, ik moest iest maken voor nederalnds en zo is ut veel makkelijker!
- ze waren ertegen dat de adel beter was dan de bourgeoisie. Ze...



